Anekdotes

A N E K D O T E S  en bijbehorende illustraties

 

ALLEREERSTE ERVARING

Opgegroeid te midden van de bossen van de Utrechtse Heuvelrug kreeg ik maar af en toe een boerenpaard te zien. Als puber ging ik wel op zoek naar ze, fietste regelmatig naar het buurtschap Oud-Leusden dat meerdere boerderijen telt. Als ik geluk had, was er een boer bezig met zijn Gelders paard; het ging met name om het transport van melkbussen, voederbieten of mest, daar bleef het wel bij. Trekpaarden en gekruiste koudbloeden van de houtvesterij kwamen in actie bij het uitslepen van gevelde bomen in het kader van uitdunning of na een hevige stormnacht met veel omgewaaide bomen.

De verhuizing naar een ander dorp bracht mij in een meer landelijke omgeving. Bij een verkenningstocht met de fiets door de polder verraste een met trekpaarden ploegende boer mij; sprong over een sloot en maakte kennis met hem en zijn paarden. Een van de merries zou binnenkort veulenen, ik mocht iedere dag langskomen. In die week schrok ik rond middernacht wakker; een onrust overviel me, kleedde me aan en fietste naar de boerderij zo’n zeven kilometer verderop. Op het door de maan verlichte land achter de boerderij was de boer bezig met het opbinden van het haam (nageboorte/vruchtvliezen) terwijl de merrie haar veulen likte. Hij bracht de merrie naar stal en ik liep met hem gelijk op, het kletsnatte veulen in mijn armen dragend. De veulenmerrie heb ik in de loop van de tijd meerdere keren aan het werk gezien; bij het ploegen en eggen van de akkers, aanaarden van aspergeplanten en aardappelen, mest uitrijden en weiland rollen. Op dit adres kreeg ik gelegenheid om voor het eerst zelf te ploegen (met een rondgaande ploeg).
De landrol, in gebruik om molshopen te slechten en land dat door jongvee is stuk gelopen aan te drukken, was gemaakt door een dorpssmid en bestond uit een lamoen (bomen waartussen het paard loopt), een raamwerk van zwaar hoekijzer met daarop een primitief stoeltje en er tussenin een drietal draaiende vaten, gevuld met water. Mijzelf met een hand vasthoudend aan de boer, liftte ik staande op de achterste drager van het raamwerk, mee. Door de beweging van het lamoen ontstond er ook een opgaande beweging in het raamwerk. Met bemodderde laarzen gleed ik weg en kwam ten val. Met mijn arm op de draaiende rol, mijn scheenbeen klapte tegen het grove ijzerwerk. Hand geschaafd, scheenbeen voor een groot deel ontveld en zwaar gekneusd, extra pijnlijk doordat het beenvlies direct onder de huid ligt. Gedurende enige tijd bleef ik misselijk en heb dagenlang last gehad van de blessure. Een gebeurtenis om nooit meer te vergeten. Maar, uiteindelijk, heb ik het vak toch zo geleerd, met vallen en opstaan.

Het afgebeelde trekpaard is de betreffende veulenmerrie. Het is niet vanzelfsprekend dat een boerenpaard iets met koeien heeft. De waterbak is uitsluitend voor paarden, vindt zij. Ik heb deze brave merrie nog verhitter zien kijken toen haar veulen bij haar aan het drinken was en er een pink naderde.


 

 

 

LEVENSLOT

Een mannetjesmaker, daarmee hebben we de afgebeelde adonis (boven) helemaal getypeerd. Een charmeur van de bovenste plank die steevast probeert de geringe inzet die van hem gevraagd wordt te ontlopen. Met innemende maniertjes en een pientere oogopslag windt hij een ieder om zijn vinger. Bijt teder met de oren naar voren soortgenoot of mens, zelfs met een volle mond voedsel, alsof het om een pose gaat. Mogelijk om interessant te doen maar ook wel met de achterliggende gedachte om op deze wijze te kunnen domineren. Het verwende rijkeluiszoontje laat zich verzorgen en trekt bij het borstelen rondom de staartwortel een genotsmoeltje.

Een afgemat warmbloedpaard dat zes dagen van de week als bomensleper werkt, kijkt je met lege ogen aan. In de beslotenheid van het bos, buiten het oog van dierenbeschermers, bepaalt de houtsleper (menner of voerman) het werktempo.

 

 

 

 

 


HEIDI EN HAAR DOCHTER SABRINA, DE LAATSTE BOERENPAARDEN VAN DE HOEKSE WAARD (Z.-H.)

Meerdere keren zag ik de merries aan het werk, onvermoeibaar. Voor de eigenaar waren zij zijn laatste werkpaarden. Bij een van mijn bezoeken trokken ze een wagen beladen met suikerbieten vanaf de akker naar de boerderij. Op het doorgangspad lagen plassen en hadden zich diepe sporen gevormd. De platte wagen vertoonde aquaplaning, zigzaggend en glijdend, met wielen die niet leken te draaien. Vooroplopend kwam ik in de modder vast te zitten. De paarden naderden met een korte, stampende tred, de kin bijna op de borst. Kleiklonters vlogen tegen mijn achterhoofd en rug. Zo dadelijk ben ik er nog schuldig aan als de wagen in de modder blijft steken en de paarden al hun kracht moeten geven om hem weer op gang te brengen, flitste door mijn hoofd. Met mijn handen kon ik de laarzen een voor een lostrekken, maar de zuigende kleigrond wilde ze vooralsnog niet spontaan vrijgeven. Laarzen die ik altijd een maatje groter neem omdat mijn voeten opzetten bij spitwerk en slotenonderhoud, dat ging mij nu parten spelen. Met mijn tenen naar beneden gedrukt , bijna in een hoek van 90 graden lukte het mij in mijn laarzen te blijven en de zijkant van het pad te bereiken.

In West-Europa is het landbouwpaard een zeldzame verschijning geworden. Doch verspreid over de wereld zijn er duizenden gezinnen die voor hun inkomen volledig afhankelijk zijn van werkdieren; gemechaniseerde tractie is voor hen onbetaalbaar. Mensen uit o.a. India en Egypte die in extreme armoede leven, kunnen hun paard, muildier of ezel dan ook nauwelijks zorg bieden. Brooke Hospital for Animals (www.brooke.nl) biedt op allerlei manieren hulp aan deze gezinnen waardoor hun onmisbare dieren gered worden of minder ernstig lijden.

Bij het Amerikaanse bedrijf ArtPal zijn reproducties van en mokken met deze afbeelding verkrijgbaar.


 

EVELIEN, HET LAATSTE BOERENPAARD VAN GOEREE EN OVERFLAKKEE

Als de 72 jarige hoefsmid achter mij een plasje doet, bekijk ik ondertussen hoe in de verte het autoverkeer richting Ouddorp kruipt. De hoefsmid is bezig de trekpaardmerrie Evelien te beslaan. Ze staat in een op de werf geplaatste vaste travalje (hoefstal). Om zware gronden te kunnen bewerken waren zware werkpaarden nodig en zij wilden uit vermoeidheid of gewoonte nogal eens op de smid gaan hangen. Een paar uren later loopt Evelien voor de zaaimachine. Het verkeer heeft inmiddels het wandeltempo van Evelien bereikt.

Het voormalige eiland, dat eens zo veel werkzame trekpaarden telde, is in meerdere opzichten erg veranderd. Om te voldoen aan een behoefte werden grote percelen landbouwgrond opgeofferd voor de bouw van recreatiebungalows. Mensen die naar landelijke luwte en zeelucht verlangden, kochten boerderijtjes op met het doel deze als tweede woning te gebruiken. Omwille van meer woonruimte werden inpandige paardenstallen afgebroken. Ik herinner mij een boerderij waar de nieuwe bewoners bezig waren een krib, waaruit meerdere generaties trekpaarden hadden gegeten, stuk te slaan. Te oordelen naar het zweet en de vastgekoekte haren had de blauwschimmel heel wat tijd gestoken in het schuren tegen de krib om in warme lentes versneld verlost te geraken van kriebelend winterhaar. Waar eens de grote moestuin had gelegen stak een hoefijzer voor een deel uit de grond, vermoedelijk afgetrapt bij het overkruisen voor de ploeg. Op het eiland zijn nog enkele trekpaarden te vinden. Evelien was het laatste boerenpaard.


Sara

Sara, het laatste boerenpaard van Midden-Limburg

 

SARA, het laatste boerenpaard van Midden-Limburg

Zodra Sara de bellen van het haam hoort, draaft ze naar het weidehek. Met een schommelende derrière stapt ze vanaf de dorpsboerderij opgetuigd naar het buitengebied; bij iedere stap zijn de heldere klanken van de bellen te horen. Uit zichzelf stopt ze bij een akker met aspergebedden, haar werkterrein. Zij zal het werk doen waar ze voor is opgeleid, zonder te murmureren of verzet te bieden. Gewoon aan de slag gaan, geen poespas. Met een planet worden de looppaden tussen de bedden geploegd. De gaten in de bedden, die ontstaan bij het steken van de asperges, kunnen met de losse grond worden opgevuld.

Het boerengezin is voor de veldwerkzaamheden afhankelijk van de inzet van Sara. Naburige boeren maken eveneens gebruik van haar kracht en werklust wanneer hun aspergeveldjes geploegd of jonge aspergeplanten aangeaard moeten worden.

Wanneer zij acte de présence geeft, is er geen microfonist die ten overstaan van publiek haar naam scandeert. Na het veldwerk geen applaus voor haar prestatie. De naam van een sponsor zal nooit met haar naam verbonden worden.

Bij het Amerikaanse bedrijf ArtPal zijn reproducties van en mokken met deze afbeelding verkrijgbaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 


HARNACHEMENT

Nooit kunnen bedenken dat het harnachement bepalend kan zijn of iemand een aangeboden schilderij van trekpaarden aanschaft. Jeugdherinneringen spelen veelal een doorslaggevende rol. Mensen die in het zuiden zijn opgegroeid zien het liefst een haam of gareel (sluit van boven of is geheel gesloten). Wanneer de wortels niet in het zuiden liggen, heeft men een voorkeur voor het borst- of zeeltuig. In schildertechnisch opzicht vormt een haam een grotere uitdaging, ze worden in verscheidene uitvoeringen geleverd (afhankelijk van de regio). Bij een haam worden krachten beter overgebracht dan bij borsttuig, bovenal is het een getuigenis van groot vakmanschap van de zadelmaker.


ZELF KIEZEN, VAAK BETER

Het enige non-figuratieve schilderwerk dat ik nog bezit. Een docent expressief schilderen wilde mij losweken van het figuratief (realistisch) schilderen: hij zag in mij aanleg voor abstract aquarelleren. Ik heb toch maar mijn eigen keuze gemaakt.


 

 

 

MIDDAGPAUZE

Nadat een pin is weggehaald komt de bak van de wipkar bij het aantrekken bijna verticaal te staan waardoor de stalmest eruit glijdt. Hierna is het zweng (dwarshout waaraan de strengen zijn bevestigd) losgekoppeld en kan het Groninger paard grazen als zijn baas het twaalfuurtje nuttigt.

 

 

 

 


Fries Roodbont koeien

FRIES ROODBONT

Gedurende enkele jaren fiets ik iedere ochtend langs een ligboxstal. Ondanks dat de met water omsloten percelen grasland direct achter de boerderij liggen, worden de koeien op stal gehouden. Dag en nacht staan zij in ammoniak bevattende gierlucht. Bij zomerse temperaturen kun je vanaf de weg waarnemen dat meerdere koeien in de deuropening achter een stroomdraadafzetting staan. Veelal dezelfde koeien, de hoogste in hiërarchie nemen deze plaatsen in. Het deed me goed om onlangs te zien hoe deze koeien vanuit de stal voor de eerste keer het land opliepen, onophoudelijk loeiend. Bokkend, proestend en sprintend met opgeheven staart waarbij meerdere moeite hadden in de benen te blijven. Nu sla ik iedere morgen hetzelfde tafereel gade (‘s nachts staan ze binnen). Dravende en galopperende koeien, met bij kil weer grote ademwolken uitstotend. Ze duwen elkaar weg, houden kopgevechten, draaien snel om hun as in de richting van een soortgenoot. Zelfs koeien met grote uiers wagen zich aan een sprintje.

In Nederland en Duitsland zie ik nogal eens broodmagere koeien; ingeteerde lichamen met scherp uitstekende heupbeenderen en een ingevallen ribbenkast. Zij lijden chronisch honger. Dit beeld moet snel verdwijnen.

Het besef dat steeds meer zuivelgebruikers kiezen voor producten – indirect – afkomstig van koeien die goed verzorgd worden en die zichzelf kunnen zijn, groeit. Boeren die verder gaan in de richting van dierenwelzijn laten staldeuren openstaan zodat de koeien zelf een keuze kunnen maken; buiten blijven of bij hoge temperaturen, regenval of sterke wind naar binnen.

“Vrije koeien” , deze aangename verrassing van onlangs bracht mij op de gedachte koeien te schilderen bij welke het aan niets ontbreekt. Een boerderij in Fryslan met Roodbonte Friese koeien. Zoogkoeien die niet voor de melkproductie maar als fokdier worden gehouden. Hun aantal in Nederland reikt niet verder dan 600 dieren, inmiddels een zeldzaam sterk koeienras. Weldoorvoede koeien mogen hier met hun kalveren in grote weiden lopen. Bij dit adres geen klauwziekten; beweging, zon en wind houden de klauwen gezond.


Rammeltijd

RAMMELTIJD

Het is een kille, dampige ochtend. In een natuurweide heeft een vijftal Shetlanders een rustplekje gezocht bij de afbuiging van een droogstaande sloot. Aan de bomen en struiken is te zien dat het voorjaar zich nog moet aandienen. Dan verschijnen er, haast plotseling en geruisloos, in colonne rennende hazen. Ze trekken zich niets aan van de aanwezigheid van de pony’s.

Bronstgedrag, zonder twijfel. Niets meer dan mannelijke dieren die zich opdringen aan de andere sekse om zich te kunnen voortplanten. In tegenstelling tot de bronstperiode van andere bos- en velddieren is die van hazen (rammeltijd geheten ) niet kortstondig. Daags na tweede Kerstdag, de akkers waren bevroren en er stond ijs op de plassen, zag ik al enkele hazen elkaar najagen als ware het de aankondiging van een nieuw seizoen. In augustus was ik eens getuige van nog een dekking. Het gevolg, moerhazen die vier keer per jaar jongen en wat het daarbij extra bijzonder maakt, de vrouwtjes kunnen gelijktijdig drachtig zijn van twee komende worpen in een ongelijk groeistadium. Hazen hebben sowieso geen makkelijk bestaan, de voedsters al helemaal niet.

Als de moerhaas de achtervolging meer dan zat is en ze ziet kans zich schielijk om te draaien en de meest dominante volger (hiërarchie onder rammelaars is snel bepaald) een paar petsen met haar voorpoten (met lange nagels) te geven waarbij plukken wol van de vacht de lucht in vliegen, keert de rust in het veld voor even terug. De hoofdram kruipt zo dicht mogelijk naar de moerhaas toe als zij begint te grazen. De andere rammelaars houden enige afstand. Afhankelijk van haar ligging zoekt de opperrammelaar voorzichtig neuscontact of probeert haar van achteren te besnuffelen. Onderwijl verkleinen de andere mannetjes de afstand tot het tweetal. Net zo lang tot de hoogste in hiërarchie dit bemerkt; er volgt een snelle achtervolging met soms luchtsprongen waarbij de leider zijn oren plat tegen de hals drukt en zijn ogen op onweer zet. Een mimiek die enigszins gelijkenis vertoont met die van een paard dat zich enorm ergert. Verbazingwekkend hoe onbezonnen zo’n actie ten uitvoer wordt gebracht en deze zich meerdere keren herhaalt; de heren maken snelle wendingen vlak voor en achter de pony’s. Een tijdje later wanneer de Shetlanders grazen, tonen de rammelaars wederom geen angst en jakkeren tussen de pony’s. Deze taferelen kunnen wel een dag duren en mogelijk een paar dagen.

Hoe aantrekkelijk uniek de natuur ook kan zijn, het wordt tijd de rammelweide te verlaten. Het is een tijdstip waarop menigeen zich nog eens omdraait in bed.


Bende gai

PAARDENZOT

Bènde gai ok zônne pèrde-zot ? “ Tijdens het stellen van deze retorische vraag brengt de Brabantse boer met zijn vereelte hand de mijne naar de buik van zijn drachtige merrie die uit een emmer met water drinkt. “As ge geluk het, kaande ‘t vulle vuulen (veulen voelen) springen”.

Ik reken mijzelf inderdaad tot het grote gezelschap van paardenliefhebbers die in alle gelederen van de maatschappij te vinden zijn. De een beleeft veel schik aan de Shetlanderruin van zijn of haar kleine meid, de ander – vrijwel verzadigd van alle kicks – vindt zijn Argentijnse polopony’s “verdraaid leuke speeltjes”. Alhoewel de verzorgingskosten nog altijd hoog zijn en zullen blijven, heeft de paardenhouderij iets van zijn elitaire karakter verloren; door onze toenemende welvaart is deze liefhebberij voor meer mensen binnen hun bereik gekomen. Al moet echter gesteld worden dat het aantal ‘stal- en tuinpaarden‘ hierdoor ook is toegenomen. Mensen die geen weidegang kunnen bieden en toch tot de aanschaf van een of meerdere paarden overgaan. Gebrek aan beweging is voor een loopdier dat zich in het wild twintig uur per etmaal verplaatst een kwelling. Een aantal honderdduizenden Nederlanders vermaakt en ontspant zich met paarden; maar hoeveel mensen houden in stilte van paarden? Deze groep is niet te tellen. Stadsmensen die de Hongerwinter op het platteland hebben doorgebracht, bewaren ondanks alle ellende zoete herinneringen aan de kracht, inzet en werklust van boerenpaarden. De zwart-wit filmbeelden van trekpaarden, ingezet bij de evacuatie van getroffenen van de Watersnoodramp, maken indruk op jong en oud. Het is voor mij heel bijzonder geweest om nog met oud-paardensoldaten en twee oud-legerhoefsmeden gesproken te hebben: verhalen over paarden en de tucht binnen het regiment. Een van de hoefsmeden heeft mij onderwezen in het hoefbeslag; er lagen drie generaties tussen ons.

Mijn “paardenzot” zijn vindt niet zijn oorsprong in het op zesjarige leeftijd beginnen met de ponysport. Voor mijn straatvrienden en mijzelf bestond liefde voor paarden uit ze te observeren, hun gedragingen te bestuderen. Vanwege de geringe afleiding in de buurt en omdat straatvoetbal met een plastic bal of een conservenblikje na verloop van tijd gaat vervelen, waren wij een paar keer door het bos naar een monumentale hoeve in Huis ter Heide (Utr.) gelopen. In de hoeve en bijgebouwen waren een manegebedrijf en pensionstal gevestigd. We kwamen er voor de paarden die wij anders bereden door het Zeisterbos zagen lopen en bovendien, we hadden net zoveel oog voor het grote aantal boerenzwaluwen dat de stallen bevolkte. Bij onze laatste bezoek werden we opgewacht door kakkineuze stagiaires en verzorgers, die een stuk ouder waren dan wij. Toen we geen gehoor gaven aan het bevel om te keren, werden we met karwatsen uit elkaar geslagen; twee jongens die bij de vlucht ten val kwamen, werden genadeloos tegen de rug getrapt. Mijn belangstelling voor paarden werd door dit incident er niet minder door.

Op het voetbalveld had ik meer oog voor de kinderen die op hun pony’s langs het veld het bos inliepen dan voor het spel. Het was niet moeilijk voor mij in te schatten of een investering zoals de aanschaf en het onderhoud van een pony te veel gevraagd zou zijn. Ik liep in te grote tweedehands voetbalschoenen met houten noppen, die ik voor twee gulden vijftig had gekocht van het geld dat ik verdiende met oude kranten ophalen. Een afgedragen verbleekte sportbroek en in plaats van een shirt een te dik windjack in de kleuren van de club maakten het nog eens overduidelijk; zeuren om een pony had geen zin en hoe ik me in mijn jeugdjaren ook uitsloofde, de aanschaf van een eigen pony heb ik nooit kunnen verwezenlijken. In de herfstvakantie appels en peren plukken, jarenlang boeren bij het hooien meehelpen en op vrije dagen in de leer bij een hoefsmid om later op de zaterdag zelf paarden te kunnen bekappen, wat ik ook deed , de inkomsten bleven te marginaal.

Door een verhuizing kreeg ik gelegenheid om bij ponyclub ‘Het kleine Ros’ als vrijwilliger mee te helpen bij allerhande werkzaamheden, wat leidde tot een legitieme toegang tot de manege en meer contacten met pony’s. De handen moesten uit de mouwen worden gestoken: afrasteren, hooien, zaagsel halen bij een houthandel, weekenddienst voederen en begeleiden. Bij bostochten en drassige veldtochten op de fiets mee als “begeleider”, buiten adem leeftijdgenoten en jongere kinderen op hun pony’s volgen en met plezier aanschouwen hoe de verschillende rassen zich gedroegen en presteerden.

Jammer genoeg waren er volwassenen binnen de club die mijn geestdrift temperden. In korte tijd was de landelijke sfeer veranderd. Ouders die niet verder kwamen dan de kantine, verworden tot een verkapte kroeg, vorming van klieken en steeds meer hautaine nieuwkomers die vrijwilligers (waar de club voor het bestaan afhankelijk van was|) straal voorbij liepen. Kinderen die verkeerd bezig waren met hun pony sprak ik hier op aan en gaf ik – zover mijn kennis en inzicht reikten – adviezen. Van die kinderen kreeg ik daarna te horen dat ze van hun ouders niet meer met mij mochten praten. “Hij heeft geen verstand van paarden, leest alleen boekjes”. Toen Sint-Nicolaas door de ponyclub werd ingehaald, kreeg ik in het gedrang een klap van een grotemaatpony tegen de zijkant van mijn dijbeen. En dan het vileine lachje van ouderparen en de vraag “sloeg die zo hard”?, terwijl ik misselijk van de pijn ineenkromp en uiteindelijk op de grond kwam te liggen. Met één been trappend, fietste ik naar huis.

Een paar jaren ouder, nam ik voor bijna een jaar de verzorging van twee paarden over. Het ging mij minder om het douceurtje, maar meer om de mogelijkheid met paarden te kunnen omgaan. Ieder dag ‘s morgens om half zeven legde ik op de bromfiets een route van vijf kilometer af over dijken in een open polderland en ‘s avonds dezelfde route. Op een extreem koude winterdag was de badkuip met drinkwater met dik ijs gevuld. De waterpomp was alleen zaterdags aanwezig (risico van diefstal). Met een schop hakte ik een gat zo veel mogelijk in het midden van een sloot om schoon water te krijgen, zakte daarbij door het ijs en stond tot over mijn kruis in het ijskoude water. Nog voor ik de stal had bereikt, was mijn broek stijf bevroren geraakt. In mijn onderbroek ging ik op een paard zitten om te ontdooien. Na enige tijd vulde ik mijn broekspijpen en laarzen met stro op en reed zo naar huis.

De negatieve en vervelende ervaringen, ergernissen en confrontaties met wantoestanden behoren tot de zorgen en moeiten van het leven en zijn voor mij nooit reden geweest mijn interesse in paarden te laten verslappen, het bijltje erbij neer te gooien of een andere liefhebberij te gaan zoeken; dat is voor echte losers.


LEERSCHOOL

lEERSCHOOL

vrijwilliger bij een ponyclub

In mijn jeugdjaren moest je als burger puissant rijk zijn om een paard te kunnen onderhouden. Een Shetlander, zoals het zoontje van de melkboer die had, was voor de meeste schoolkinderen uit mijn dorp een niet te vervullen wens. De mogelijkheid om in contact te komen met paarden was in mijn vroege jeugd daardoor beperkt. De schillenboer zette mij bij zijn wekelijkse ronde door het dorp op zijn Gelderse zwartbles, de vriendelijke boomslepers op de Leusderheide boden gelegenheid om hun trekpaarden te aaien en te zoenen. De meest intense paardenervaringen deed ik evenwel op in mijn pubertijd. Ik ging gericht op zoek naar ze; bezocht keuringen en paardenfokkers, ontdekte dat er grote verschillen in karakter en temperament bestaan tussen de rassen, zelfs binnen eenzelfde ras. Geestelijk met elkaar verkeren, de noodzaak daarvan in de relatie tussen mens en paard begon ik steeds meer in te zien. Het grote fysieke overwicht en het vluchtgedrag van paarden zijn uitsluitend onder controle te houden wanneer mens en paard een vertrouwensrelatie hebben met elkaar. Geen benul hebben van de aard van paarden brengt disharmonie, kwelling en gevaar met zich mee. Gebrek aan ervaring, onwetendheid, domheid en het als een vanzelfsprekendheid uitgaan van de ondergeschiktheid van het paard, brachten mij in situaties die vroegen om gevolgen. Een paar daarvan wil ik wel opbiechten.

Een mevrouw heeft het plan om met haar nerveuze merrie een buitenrit te gaan maken. Ze vraagt aan mij haar paard te longeren (in de weide rondjes laten lopen) opdat deze haar stalmoed kwijtraakt. De merrie – met een zware hengstenhals – heeft geen longeerhalster maar een gewoon halster om (vergemakkelijkt uitbreken) met daaraan een lang touw. Na een partijtje bokken gaat ze er in galop vandoor. Ik blijf vasthouden en glijd over het natte grasland door en in een poging mij zijwaarts schrap te zetten, breekt een van mijn klompen overlangs in twee helften en ik moet loslaten. Met een klomp in de hand loop ik op sokken huiswaarts.

Daar was ik wel voor te porren, met de eigenaar van twee jonge onbeleerde hengsten naar het buitengebied wandelen teneinde die twee vertrouwd te maken met de omgeving en buitengeluiden. Het aannemen van een bit moeten de paarden nog leren en vandaar dat er niet voor een hoofdstel maar een halster wordt gekozen (dus onvoldoende controle). In de polder draait een loonwerker, bezig met het lawaaierige persen van hooi, onverwacht snel naar onze richting. De hengst die ik begeleid schiet in paniek langs me heen en slaat op hol. Ik kom ten val, het touw vasthoudend sleurt het paard me vele meters mee. Eenmaal tot stilstand blijkt mijn knie ontwricht te zijn waardoor ik er nauwelijks op kan staan. De terugreis heeft heel lang – voetje voor voetje – geduurd. Wekenlang met krukken lopen volgde.

In de tijd dat ik zaterdags en in de vakantie bij een hoefsmid werkte, bezochten we met regelmaat de manege waar “het paard van de weduwe” in pension stond. Een van het type dat het leven zelf maakt en het liefst heeft dat een ieder uit zijn energieveld blijft. Door een touw met dichtslippende lus op de grond te leggen en het paard daarin te laten stappen was het mogelijk het achterbeen aan de koot omhoog te trekken. Het slaan met dit been vangt het knechtje met zijn armen en rug op. Ondanks de vredestichtende liefkozingen van de manegehouder haalt de ruin breed zijwaarts uit en treft mijn knieholte (ik had onvoldoende rekening gehouden met zijn angst en reach). Met een salto kom ik plat op mijn rug terecht om vervolgens te zien hoe attent de manegehouder een openstaande boxdeur, waaruit een ijzeren pen steekt, sluit. Met mijn hoofd ben ik rakelings langs deze pen gegaan.
Als vrijwilliger werkend bij een ponyclub zie ik dat het voor twee pony’s bestemde hooi niet evenredig is verdeeld in de laag geplaatste ruif. Bukkend bezig met het herverdelen, krijg ik een klap op mijn achterhoofd die mij voorover doet vallen in de ruif. Gelijktijdig met de stoot voelde ik dat er haren werden uitgetrokken. Die ene pony die ik goed ken vanwege zijn onaangepast gedrag (snel opgefokt) heeft mij dit met zijn mondje geflikt. Ongetwijfeld was de reactie bedoeld voor de pony naast hem maar ik was wel degene die rondliep met een bult op zijn hoofd zo groot als een duivenei en met een snijwond erin.

Als paardenman terugkijkend op mijn leerschool kan ik deze enigszins vergelijken met mijn ervaringen met bijen. Een buurman was net begonnen als imker en had enkele bijenkasten geplaatst nabij een heideveld onder Soestduinen. Op de lagere school had ik een boek gelezen over de gedragingen van bijen; hun wijze van communiceren, de takenverdeling. Hij nodigde mij uit met hem op controlebezoek te gaan. Op de plaats aangekomen, gaf hij me een beschermkap waarvan het gaaswerk voor meer dan de helft los hing. Hijzelf koos voor het intacte exemplaar. Met een after-shave-lucht om hem heen en staande in de aanvliegroute ging hij nogal ruw met een kast om (drie foutjes). Binnen seconden vlogen bijen mijn kap binnen, ik voelde steken in mijn hoofd en gezicht. Trok de kap van mijn hoofd en zette het op een lopen, achtervolgd door een zwerm bijen. Met een zwaar gezwollen hoofd kwam ik thuis en telde veertien steken (was precies mijn leeftijd), de meest pijnlijke in een ooglid en in mijn lippen. En nu, wanneer ik bijenkasten zie staan in een koolzaad- of boekweitveld, stap ik van de fiets af en observeer de bijen langdurig. Geleerd van de onkunde van deze imker, houd ik rekening met de weerbaarheid van deze insecten door ze niet tot verdediging aan te zetten. Aanvoelen, je verplaatsen in de positie van dieren, daarmee verdwijnt menselijke onwetendheid. Zo zie ik dat.


Waar ben je nu mee bezig

WAAR BEN JE NU MEE BEZIG?

Deze vraag heb ik mijzelf meerdere keren, bij het opstaan in het holst van de nacht, gesteld. In het ploegseizoen op mijn motorfiets vertrekken en met de dauw op de ogen en verkleumd tot op het bot arriveren bij een boerderij waar met paarden werd gewerkt. Na uren van meelopen in een te voordelig gebleken motorpak, achter een driespan paarden over een ruige akker met ruggen klei, was ik nog niet ontdooid. Dit afzien werd vaak beloond. Getuige te mogen zijn van een restant van het bijna voltooide verleden, van een bijzonder verbond tussen mens en dier. De mooiste herinneringen waren die aan mistige landschappen, in het bijzonder wanneer er een dikke najaarsmist met een zicht van hooguit dertig meter over het land hing, gecombineerd met een absolute stilte. Bij dit beperkte zicht, als eerste zintuiglijke waarneming het schuivende geluid (bij vochtige lucht draagt geluid verder) van een ploegschaar, die vette kleigrond in stroken snijdt. Dan doemt daar, haast plotseling, het donkere silhouet op van drie ‘beren van paarden’ met gekromde, bezwete halzen. Briesend, om beurten. De lichamen dampen, hun zoete zweetgeur hangt als een sluier om hen heen. Een pril zonnestraaltje weet de mistdeken te priemen en laat de zachte paardenogen glanzen. Met half dichtgeknepen ogen bemerk je dat de schaduwzijden van de paarden nauwelijks contrasteren met de lichte partijen. Het is alsof mistdeeltjes het zonlicht transporteren. Daar bij het drassige gedeelte hoor je hoe het grondwater onder de paardenhoeven wordt weggeperst. Het licht weerkaatst tegen de messing ornamenten op de hamen (jukken om de halzen) en tegen het gepolijste ploegrister. De grond geurt, prikkelt het neusslijmvlies wanneer het ploegijzer hem openscheurt. Bijna onverwacht, alsof hij er niet bijhoort, volgt achter de ploeg de zwijgzame landman; hij moet de tachtig reeds gepasseerd zijn. De ware leeftijd zal de buitenstaander nooit te weten komen, de oudere mens wil tijdloos zijn. Vervagend verdwijnt het viertal in de dichte grijsheid, geluiden verstommen. Dit voor de buitenwereld verborgen schouwspel met zijn mystieke karakter, deze sensatie, het overrompelt je, het blijft je bij.

Eenmaal weer thuis, en ondanks de vermoeidheid, de vaste overtuiging dat het de moeite waard is geweest, de moeite om deze dag als herinnering weer op te slaan. Als extra beloning de drang, waar je niets voor hoeft te doen, om deze herinnering picturaal te willen vastleggen.


Illustrator willen worden

ILLUSTRATOR WILLEN WORDEN

De uitgever overhandigde me een mapje met typescript, een blauwdruk voor het maken van een platenboek over honden. Deze hondenliefhebber was er niet blij mee.

Het accountantskantoor waar ik voor werkte, had deelname aan een cursus geregeld. In Apeldoorn vroeg ik de weg bij Koninklijke Talens, een fabriek voor kunstschildersverven, en arriveerde ruim een halfuur te laat bij een hypermoderne kantoorflat met blauwe ruiten en zitkuilen voor groepsonderricht. In een van de kuilen vergaapte ik me aan twee grote wandplaten die het vroegere landleven verbeelden; reproducties van aquarellen van de Groningse illustrator Cornelis Jetses. De sfeer van de werken pakte me bovenmatig. Mijn belangstelling voor schilderkunst was al op jonge leeftijd latent aanwezig. Deze dag zorgde voor een ommekeer in mijn leven. Ik nam het besluit teken- en schilderlessen te volgen en door zelfstudie mij verder te bekwamen in de schilderkunst en maar zien waartoe dit kan leiden. Vanaf het moment van dit besluit ging ik op zoek naar adressen waar nog met boerenpaarden werd gewerkt. Lukraak dierenartsen, hoefsmeden en hengstenhouders bellen en stamboekorganisaties aanschrijven. Een tip over beelden op televisie van een boer die met een vierspan Gelderse paarden ploegde, was reden om direct de omroeporganisatie te bellen.

Door in contact te treden met bedrijven konden mijn eerste aquarellen van boerenpaarden voor meerdere doeleinden worden gebruikt. Op het verschijnen van een interview in het vakblad ‘De Boerderij’ reageerde een uitgeverij waarmee de basis werd gelegd voor mijn eerste platenboek over werkpaarden. Toen het zover was boden boekenclubs ruimte in hun catalogi met daarin opgenomen een recensie van de Vlaamse Goedele Liekens (schijnt te zijn, een aanprijzing door een bekend persoon helpt) . De meeste boekwinkels kochten het boek in, waarna een herdruk volgde. Zonder het naar buiten te brengen, werkte ik vóór het verschijnen van dit boek al aan een vervolg. Met hoge verwachting bood ik het nieuwe materiaal aan. De uitgeverij zag echter geen toekomst voor een boek over hetzelfde onderwerp, het verrassende was eraf en de kans op een tweede succes zou hierdoor niet zo groot zijn. Toen kwam die blauwdruk voor een hondenboek op tafel. Ik bracht naar voren het wel zonder te kunnen, het op mijn eigen manier te doen. Maar, eerlijk gezegd, mijn gedachten waren er niet bij. De afwijzing voelde als een klap in het gezicht. De wereld van het boek kende ik niet, de uitgeverij van mijn boek had mij benaderd, niet andersom. Wekenlang voerde ik telefoongesprekken met redacteuren van zesenveertig uitgeverijen (heb er een lijstje van bijgehouden). De meeste uitgeverijen hebben niet voldoende knowhow in huis voor het maken van platenboeken. Bij vier uitgeverijen kon ik tenslotte langskomen. De uitgevers van de eerste twee uitgeverijen hadden nooit paardenzweet geroken. Na de bezoeken was het wekenlang wachten op de officiële afwijzing. Met de verwachting alweer als een polderjongen te worden ontvangen, reed ik gespannen naar de derde uitgeverij en dat ging ik voelen onder in mijn rug. De vierkoppige directie wilde een dun boek uitbrengen. Dan zou ik zeker een jaar voor niets hebben gewerkt, tachtig uren in de week. Door mijn verkrampte houding kreeg ik in de statige directiekamer een ischiasaanval en kon enige tijd niet uit de stoel komen. Toen het lukte, was ik zo krom als een hoepel; voelde de blikken van acht ogen op mijn kruin gericht. Met kabouterpasjes, vergezeld van pijnscheuten en de daarbij horende grimassen, met de vingers glijdend langs de lambrisering, kon ik de kamer verlaten. Met een uitgeefdirecteur in mijn kielzog (hij droeg mijn map met aquarellen en teksten), schuifelde ik door de lange gang van de villa, langs kamers met openstaande deuren waar dames hun conversatie onderbraken. In de auto stappen duurde heel lang en was echt niet verantwoord. De schaamte maakte de pijn en teleurstelling enigszins draaglijk.

Mijn werk is door de vierde uitgeverij uitgebracht. Het boek stond in het jaar van uitgifte op de lijst van “De honderd best verkochte Boeken” en werd met tal van herdrukken een bestseller. Door mijn afhankelijkheid had ik ingestemd met een beloningssysteem dat niet gebruikelijk is binnen uitgeverijen, met geringe verdiensten tot gevolg.Van deze ervaring heb ik geleerd dat een eerste succes niet automatisch paden plaveit en ten tweede, ook erudiete mensen, gepokt en gemazeld in hun vak, kunnen de plank behoorlijk misslaan.


VELDWAARNEMING OP SCHIERMONNIKOOG

Groninger paard

Als hele drommen veelal luidruchtige dagjestoeristen zich met spoed naar de aanlegsteiger begeven om de laatste afvaart van de dag te halen, keert de rust op het eiland terug. Parmantig stappende fazanten komen uit de dekking van de duinen te voorschijn en pikken in een weide, te midden van paarden, naar grashalmen, zaadjes en steentjes. In de winter trekken hanen gezamenlijk op, immers, met meer ogen kan de omgeving beter in de gaten worden gehouden. Nu in het voorjaar zijn ze rivaal van elkaar. Elke haan probeert met luidkeels gekakel en vleugelgezwiep (herfstbladeren vliegen soms alle kanten op) zoveel mogelijk hennen aan te trekken. Dit verbond is altijd van korte duur. Al in de nesteltijd scheiden de hennen zich van de hanen af, die gewoonlijk dominant zijn en aanspraak op alle voedsel maken. Bovendien staan hennen er wat de zorg en bescherming van hun kuikens betreft alleen voor.

Paarden die dicht bij de natuur staan maken gebruik van de alertheid van fazanten daar deze loopvogels op iedere dreiging reageren. Uiteraard zijn er ook rassen die waakzaamheid in een rustieke omgeving overdreven achten.

 

 


TOT LERING ENDE VERMAAK

Inleiding:

De reden voor de aankoop was een aanbieding in een catalogus van paardenartikelen: ‘Speelbal geeft afleiding en meer’ . Daar zou wel eens een kern van waarheid in kunnen zitten. Er zijn meer zaken die in een leeg paardenbestaan als prikkeltherapie werken en lichaam en geest activeren . Hierdoor neemt de kans op stress af en de activiteit van afweercellen toe, het lichaam bouwt meer weerstand tegen ziekten op. Bovendien kan de speelbal gebruikt worden als ‘bijtring’ bij het wisselen van tanden (vanaf 2½ jaar).

1 De paardenhouder legt de speelbal in het weiland en wacht gespannen de reacties af.

De onversaagde vos gaat er met een slofferig loopje direct op af.

Op een halve meter afstand van het onbekende schrikken van zijn overmoed.

In galop erlangs en als waarschuwing laten zien welke fenomenale schoptechniek hij in huis heeft (in paardenkringen spreekt men niet van schoppen maar slaan).

Zijn reactie werkt aanstekelijk. De schimmel, nooit de stoutmoedigste geweest, blijft zich op enige afstand inlopen. Hij laat zich niet verrassen, is behoedzamer, weliswaar geen leiderstype maar in wilde staat wel een paard met meer overlevingskans. Van nature argwanend zijn, is geen verkeerde eigenschap voor een vluchtdier. Na een aantal minuten maakt hij wijde cirkels om de bal, danst daarbij met een onnatuurlijke stekerige gang, een opgeheven hoofd en staart en een stram gehouden rug. Als apotheose, vanuit de vergrote neusgaten, met veel kabaal de uitstoot van alle nog niet verbruikte lucht in één keer.

2 Door de bal op de grond te drukken en samen er in te bijten, ontsnapt lucht via een gat; na loslaten krijgt de bal zijn oorspronkelijke vorm terug. Het geluid daarbij geeft ze de kick van iets aan het mollen te zijn, het bijten wordt nog venijniger. Bijten in het handvat is voor de hengsten hetzelfde als bijten in de vingers van de baas maar nu mag dat onbeperkt hard. Zich in de bal vastbijten, trekken, wegduwen, naast elkaar weg stappen en als een terriër ermee schudden , het is een worstelaars training waarmee ze spelenderwijs hun halsspieren ontwikkelen. Verliest de vos grip op de bal, dan heeft hij genoeg fantasie om variatie in het spel te brengen; nieuwsgierig richt hij zijn ogen en oren op iets dat er niet is en hoopt dat de schimmel wordt afgeleid en loslaat. Moet hij toch loslaten, dan grijpt hij zich vast in de manenkam van zijn speelmakker of probeert, wanneer deze zich van hem wegdraait, met zijn tanden een winkelhaak in diens bilpartij te brengen. Voelt de schimmel dat hij moet loslaten, dan laat hij plotseling los om meteen de vos in zijn snuit te bijten waardoor de bal op de grond stuitert. Deze streek heeft voor mij iets menselijks. Sjonnie, mijn vroegere buurjongen met wie ik regelmatig ‘Ivanho’ speelde (zwaardvechten met halve bezemstelen), probeerde bij kramp in zijn pols het spel voortijdig te beëindigen door op mijn fikken te slaan, waardoor ik de stok vanzelf liet vallen. Zo’n onhebbelijkheid zou je toch niet gauw bij paarden verwachten?

3 De rivaliteit en strijdlust tussen de jonge hengsten concentreert zich voor een deel op de bal en het bijtgedrag vermindert door deze afleiding. Dit was de gedachte van de eigenaar toen hij de bal aanschafte. Wat hij van tevoren niet heeft kunnen bedenken, is dat de speelbal juist aanleiding kan geven voor wat voorkomen of verminderd had moeten worden. Geeft een van de paarden een lel tegen de bal waardoor die tegen de benen van het andere paard tikt, dan volgt een uit ergernis (menselijke interpretatie) voortkomende afstraffing en omdat de dader dit niet over zijn kant laat gaan, wordt er gebakkeleid. Geen paardenhouder die daar iets aan verandert. Matten zit gewoon in de genen van hengsten en bijten is daarbij razend populair. Net als bij voedsel, een dagelijkse portie knokken – uit gewoonte en drang – is aan een minimumbehoefte gebonden.

Ze zijn tot elkaar veroordeeld en dienen het zelf uit te zoeken. En anders krijgen ze ieder een eigen weitje.


Boerderijkatten

BOERDERIJKATTEN

De opslag van veldgewassen, hooi en stro trekt muizen en ratten aan. In de winter is het aantal nog groter; op droge plaatsen met voedselaanbod gedijen ze het best. Ratten schaffen zich knagend toegang tot schuren en stallen door gaten in houten deuren te maken. Zowel ratten als muizen vreten bieten en aardappelen aan, slepen graan overal naar toe, verpulveren strobalen van binnenuit en knagen aan elektrische bedradingen en isolatiemateriaal. Om nog een geval van schade te geven, een rat zag kans in een paar nachten tijd mijn laarzen in de schuur tot sandalen te maken.
Veel boerderijen bieden onderdak aan katten; trouwe medewerkers die vrijwel altijd in functie zijn. Katten inzetten om het aantal muizen en ratten in toom te houden, is het meest diervriendelijk. Vanzelfsprekend moeten zij dagelijks kattenvoer aangeboden krijgen, jaarlijks worden ingeënt en behandeld tegen vlooien. Bovendien dient de eigenaar er voor te zorgen dat alles in het werk wordt gesteld om vogels tegen hen te beschermen. Je hoeft katten echt geen passie voor de muizenjacht bij te brengen; er zijn verhalen over boerderijkatten bekend die met scharrelkippen van stok gaan nadat ze een nacht lang in het hok op de loer hebben gelegen om muizen die op het voer afkomen te verrassen. Een andere mogelijkheid om knaagschade te beperken is het bieden van nestelgelegenheid aan uilen, maar weet dat boerenzwaluwen niet zo snel meer in die stallen en schuren zullen broeden. Katten zijn opportunisten pur sang en weten situaties naar hun hand te zetten. Sommige gedragen zich als pruimers en bezoeken, zonder enige hongerprikkel, meerdere spijsadressen. Zo eet een dikke rode kater bij mij dagelijks de bak met brokjes leeg die bedoeld zijn voor een paar broodmagere half verwilderde katten uit de buurt. Een ander aanlopertje kwam wekenlang dagelijks bij mij langs, struinend door droge sloten en dan weer slapend in de hooischuur. Hij was vertrouwd met paarden. Tot mijn schrik zag ik op een dag hoe hij de paardenweide inliep door het hoge uitgeschoten gras terwijl twee paarden met elkaar aan het wedijveren waren. Hij liep in de baan van een der galopperende paarden en in plaats dat hij zich uit de voeten maakte, drukte hij zich tegen de grond. Hij had alle geluk van de wereld, de schimmel maakte vlak voor hem een grote luchtsprong en redde daarmee het leven van de kater. Hij was verre van schuw waardoor ik hem naar een dierenarts kon brengen voor castratie. De eerste twee dagen na de operatie hield ik hem binnen; na zijn vrijlating zag ik de kater niet meer. Tot ik hem in die week achter het raam van een stalhouderij zag zitten. Hij had straf gekregen en moest een tijdje binnenblijven omdat hij een paar dagen ‘s avonds niet was thuisgekomen.


PLATTELANDSVROUWEN

Het accountantskantoor waar ik werkzaam voor was deed o.a. onteigeningszaken voor een aantal gemeenten. Het betrof veelal agrariërs die landerijen of zelfs hun boerderij kwijtraakten voor de aanleg van een weg, een sportveldencomplex of de uitbreiding van een nieuwbouwwijk. In alle gevallen van algehele opkoop verhuisden de boeren naar een grotere boerderij. Het lukte mijn werkgever deze boeren als cliënt te werven. Het opstellen van jaarrekeningen en het onderhouden van contacten ging steeds meer tot mijn takenpakket behoren. Bij mijn bezoeken aan de gezinsbedrijven kreeg ik een voor mij tot dan toe onbekend en nogal verrassend beeld van de inbreng van vrouwen op deze bedrijven. In volkomen harmonie en dienstbaar aan elkaar bouwden man en vrouw als een vanzelfsprekendheid aan hun bestaan. Vrouwen die meehielpen bij het plaatsen van afrasteringen, verkampen (verweiden) van koeien, melken, soms kazen, voederen van het melk- en jongvee, varkens en kippen, mest laden en uitrijden, hooien, moestuin bijhouden, runnen van de huishouding en – alle emancipatie ten spijt- opvoeden van de kinderen. Ik heb ze gekend de boerenbedrijven waar geen kalf ter wereld kwam zonder de trekkrachthulp van de boerin, en dan die weduwe die moederziel alleen ‘s nachts de wacht hield bij een biggende zeug en onderwijl sokken stopte.

Voor mijn vertrek, vaste prik, met de boerin de voorraadkelder in om de voorraad weckflessen (groente en fruit) en Keulse potten (groenten in zout) te bekijken. De verhalen over de enorme hoeveelheid werk in de moestuin en daarna het wecken en inmaken. Als laatste, tijdens de stalperiode, samen met de boer nog even de koestal in om zijn trots , de koeien te bekijken. In een paar stallen hingen bordjes met de namen van de koeien; zij mochten oud worden. Ik herinner mij nog heel goed dat bij mijn bezoeken aan twee kinderloze echtparen, de vrouwen mij telkens een dikke reep chocolade in mijn hand stopten waarbij hun zachte ogen quasi geïnteresseerd naar een andere richting keken. En dan te weten dat het ze niet lukte mij te tutoyeren, een broekje in colbert.

In tegenstelling tot de handels- en productiebedrijven die ik bezocht, voelde ik mij bij deze mensen, die zo dicht bij de natuur stonden, direct op mijn gemak.

Het platteland is veranderd; maar goed ook zal een aantal mensen zeggen. Hoe het op het moderne boerenbedrijf echt reilt en zeilt, daar heb ik geen weet van. Ik lees hierover weleens berichten in de kranten.


Stien

Stien met haar Groninger melkpaard

STIEN

Iedere dag om vier uur stond ze op, zeven dagen in de week, jaar in jaar uit. Een groot deel van het jaar elke ochtend en middag met paard en wagen vertrekken naar een open polder waar koeien haar loeiend onthaalden. Bij dichte mist, koude, hevige regenval, onweer of windkracht twaalf ( op de dijk werden de lege melkbussen van de wagen geblazen ) . Geen doorloop-melkwagen, die beschutting biedt, maar handmelken onder de blote hemel. Ook geen water- en winddichte kleding zoals we nu kennen, maar een jas die almaar zwaarder van de regen om haar schouders hing. Als de reservejas overdag werd gebruikt en eveneens nat regende, werd de minst natte bij het middagmelken weer aangetrokken.

Op twaalfjarige leeftijd leerde Stien met de hand melken. Dat heeft ze gedaan tot haar vijfenvijftigste jaar. Vanaf deze leeftijd hebben reumatische pijnen haar belet het zware werk voort te zetten. Op de boerderij en in het veld is toen begonnen met machinaal melken. Namen melken en schoonmaken van het melkgerei al vier uur per dag in beslag, de rest van de dag was nodig voor het onderhoud en schoonmaken van de boerderij, verzorgen van het vee en de huishouding. Een paar keer in de week had zij de handen vol aan het karnen en de boterbereiding, bestaande uit het afromen van de melk en meerdere keren kneden van de boter na het zouten en spoelen. Volgens haar afnemers was er geen zuivelfabriek wier boter in smaak en kwaliteit kon tippen aan die van Stien. Het kazen is enige tijd uitgeprobeerd maar wilde niet echt van de grond komen. De gewenste kwaliteit kon op deze veengrond niet bereikt worden. Om er maar voor te zorgen dat haar hulpbehoevende moeder en zuster op de boerderij konden blijven wonen, nam zij ook die taak op zich. Nooit langer dan de duur van het melken, kon zij van huis. Voor Stien waren er geen baaldagen en exotische vakanties.

Zij was de vrouw die mij inside-information gaf, mij inwijdde in het klassieke boerenleven en vertrouwd maakte met begrippen als ‘strippen’ (met twee vingers melken) en ‘ met de volle hand melken ‘ . Veel schuim op de melk bij het handmelken, dan had je de ‘ goede slag ‘ te pakken. Begrippen die al geruime tijd tot het verleden behoren.

Ze vertelde angsten te hebben uitgestaan toen haar broer met het nieuwe melkpaard, dat volgens de handelaar zo’n ervaren koetspaard was, voor haar ogen bijna verongelukte op de dijk. Dankzij het ingrijpen van de buurman/boer liep het goed af. Het paard was niet vertrouwd met het geluid van rammelende lege melkbussen op de wagen en sloeg op hol.

De tragedies in haar leven die elkaar snel opvolgden: het overlijden van haar broer, haar gezondheid die snel achteruit ging, de landerijen die in andere handen kwamen, het op een middag afscheid nemen van alle koeien. Lakenveldse koeien die zij liefhad en die op deze boerderij gemiddeld twaalf jaar werden; een paar koeien bleven er zelfs tot hun twintigste. 

Kristina, een vrouw zo dienstbaar en vol van liefde, hoeveel meer mag je van een mens verwachten?


Zielenadel

ZIELENADEL

Geen idee hoe oud ik precies moet zijn geweest, het was wel in een jaar van de lagere school. Samen met mijn teckel maakte ik regelmatig lange boswandelingen richting De Leusderheide. Tijdens zo’n wandeling komen paarden in volle galop op ons af; op hun ruggen besnorde lieden gekleed als bedoeïenen. De paarden herken ik van plaatjes: Arabische Volbloedpaarden, de meeste zijn schimmel. Ze hebben opengesperde neusgaten, verschrikte ogen met zichtbaar wit en zweetschuim op hun lichamen. De voorste, ruwe ruiter schreeuwt iets in een taal die ik niet versta. Vlak voor ons slaan de paarden een smal bospad in en de ruiters verdwijnen met wapperende gewaden uit het zicht. Een angstwekkende situatie en een beeld dat mededogen met de paarden opriep; dit voelde niet aan als een normale manier van paardrijden. Later vernam ik in het dorp dat meer mensen de groep hadden gezien; het zouden buitenlandse zakenlieden zijn geweest op geleende paarden (van een stoeterij). Een bizarre, sinistere ontmoeting met mensen uit een andere wereld vormde mijn eerste kennismaking met het Arabische Volbloed.

Het is een hemelschoon ras met de neiging de nerveuze zichzelf te spelen. In driften en emoties onderscheiden ze zich van andere rassen. Door fel te zwiepen met hun staart reageren ze overdreven op een treiterende vlieg of een kriebelend stroompje regenwater dat zich via de rug een weg baant naar beneden. Zie hoe zo’n volbloedje poogt af te rekenen met een grote, groene sprinkhaan die tegen een achterbeen omhoog kruipt; een stamp zo venijnig tegen de grond gevolgd door een aantal nastampen, waarna dat insect van geluk mag spreken als hij zijn stupiditeit heeft overleefd. Lompheid zoals boven op een slapend veulen van een ander willen gaan staan omdat het in de weg ligt of het pad blokkeert, komt echter bij dit ras niet snel voor. Wanneer klassieke warmbloedpaarden schrikken van een uit de dekking opvliegende fazant of een uit een sloot opstijgende snaterende eend knikken ze even door de voorknieën of doen een pasje opzij. Bij een Arabier gaat het met meer overgave; als een speelse hond gooien ze zich met gespreide voorbenen plat waarbij de onderborst bijna de grond raakt. Met gekromde hals en een opgestoken staart als uiting van een verhoogd zelfgevoel en achterbenen, meer wijdbeens geplaatst dan gewoonlijk banjert een Arabische Volbloed door een drassige weide met een blik in de ogen alsof het zich bewust is van de noodzaak de vaart erin te houden. Bevindt men zich in een groep Arabieren en er ontstaat heibel, dan doen de paarden er alles aan om de mens niet ondersteboven te lopen. Arabieren met stalmoed bokken en slaan gelijk andere rassen, maar houden in de meeste gevallen rekening met hun reach, zodat de mens geen gevaar loopt geslagen te worden. In een weiland met elkaar uitdagende en krachtmetende veulens voelt men zich niet snel bedreigd. De kans dat een hengstveulen de macho uithangt en een machtsstrijd met de mens aangaat, is heel klein. Er zitten fijnbesnaarde types bij, één grote mond en ze zijn voor de rest van de dag van streek. Minder gevoelige pakken de schuldige mens na zo’n brutaliteit terug door hem te negeren. Een ras dat zich een savoir-vivre heeft weten eigen te maken, begaafd met charme, intelligentie en goedmoedigheid enerzijds en temperament , doorzettingsvermogen en taaiheid anderzijds. Een paard dat zijn voet op een afgebroken tak zet zodat hij de bladknoppen er makkelijk vanaf kan knabbelen, naar zijn baas draaft en een achterbeen opzij tilt als een daas (steekvlieg) bloed zuigt uit zijn balzak (preventief met vaseline insmeren) waardoor de plaaggeest gemept kan worden, precies weet dat de spanning van het schrikdraad eraf is als zijn baas in de weide loopt waardoor hij verder onder het draad kan reiken om te grazen, toont intelligentie. Als er een bepaalde prestatie of verrichting wordt gevraagd, hebben Arabische Volbloeds geen peptalk nodig, ze willen zelf al.

Een bijzonder uiterlijk kenmerk vormen de grote neusgaten in de neusvleugels; na enige lichamelijke inspanning worden deze nog meer open getrokken waarbij zijdelings zonlicht het neustussenschot van binnenuit transparant rood doet kleuren.

In veel paarden- en ponyrassen is Arabisch bloed te vinden, al kan dat wel een stukje teruggaan in de tijd. Zonder het Arabische Volbloedpaard had de mens sowieso minder rassen gekend (denk aan de Engelse Volbloed en de Anglo-Arabier). Kruisen met Arabieren betekent in de meeste gevallen een verbetering van een ras. Sportpony’s hebben vaak een scheut Arabisch bloed om de vechtlust te vergroten en de galop te verbeteren. Er moet wel gezegd worden dat de hardheid van deze pony’s minder groot is dan die van de oorspronkelijke (klassieke) rassen. Ze zijn door hun fijnere vacht minder gehard tegen alle weersgesteldheden. In uiterlijk wijken Arabische Volbloeden enigszins af van het ideaalbeeld dat wij hebben van het moderne sportpaardtype. Hun talenten liggen op een heel ander terrein; zij zijn de galoppeurs, de paarden die de endurance beheersen en daarin vrijwel onoverwinnelijk zijn. Hun kwaliteiten als snelle langeafstandloper zijn: een winning spirit, doorgaan als andere paarden het opgeven, een voortreffelijke galop, een hoger hemoglobinegehalte bezitten waardoor een sneller transport van zuurstof door het bloed plaatsvindt, een andere spierweefselstructuur en keiharde benen. Maar afgezien hiervan, als het alleen om prestaties gaat, blijft paardrijden als ontspanning niet lang leuk. Een Arabisch Volbloed is meer dan een prestatiepaard; boven alles is hij een vriend door zijn betrouwbaarheid en loyaliteit naar de mens. Noem mij de naam van een ander ras waarbij het paard na een val van amazone of ruiter blijft stilstaan (onder een normale omstandigheid).


Speenoud gewordenSpeenoud geworden 2

SPEENOUD GEWORDEN

Tegen de tijd dat de kunst van het gaan liggen en gaan staan voor hem routine is geworden, wordt op een broeierige dag de vijf maanden oude voshengst uit de weide gehaald en op stal gezet. Zijn moeder en een andere merrie met haar veulen vergezellen hem daarbij. Dat gebeurde wel vaker, bij dreigend onweer gaan alle paarden naar binnen. Anders is het nu dat hij en het andere veulen in één box achterblijven en hun moeders onder weemoedig mompelhinniken en daarna luidkeels protesthinniken terug naar de weide gaan. Het spenen is begonnen; hardvochtig en onverbiddelijk is de mens, noodzakelijk is zijn daad (geleidelijk spenen heeft mijn persoonlijke voorkeur). Opsluiting samen met het veulen dat zich in de weide tegenover leeftijdgenoten zo weinig heldhaftig toonde en voortdurend bij zijn moeder bescherming zocht. De merrie die steevast het andere veulen met haar ogen en oren dan maar weg dreigde. Het krachtvoer smaakt niet meer, het meeste wordt trouwens vermorst door het voortdurend met open mond hinniken.

                                                                                                                                                                                                                           Na twee dagen spenen volgt een lange reis naar een vreemde omgeving.

Speenoud geworden 3Eindelijk gelegenheid om de benen te strekken. Iedere middag omstreeks vijf uur stak de haas de veldweg over om zich te voeden met klaver, kruiden en wilde grassoorten, een vegetatie die sterk verschilt van de monotone raaigrasvelden in de omgeving. Na deze overrompeling is hij nooit meer teruggekeerd.

Speenoud geworden 4

Een paar weken zijn nodig om de shock van het spenen te verwerken. Ze klampen zich aan elkaar vast en apen elkaar na bij het mesten, urineren, rollen, geeuwen, uitschudden of uitschachten. Door het speentrauma verkeert de schimmel in geestelijke chaos; hij is verward geraakt, bespeelt de koker van de vos hoorbaar als ware het de uier van zijn moeder. De immer initiatief nemende vos, die minder met zijn gevoelens overhoop leek te liggen, moet evenwel in een identiteitscrisis verkeren daar hij met het wegtrekken van een achterbeen de moederrol bereidwillig vervult. Even later lijkt hij zijn geslacht te beseffen en raakt geïrriteerd wanneer de schimmel hem voor de tweede keer deze rol probeert op te dringen.Moet gezegd worden, ook bij oudere hengsten blijft een koker of een uitgeschachte roede een mikpunt van belangstelling. Het wil wel voorkomen dat een hengst met getuite lippen de roede van een weidegenoot probeert te pakken omdat het nu eenmaal in de genen van hengsten zit om overal de tanden in te zetten.


Inscharen

INSCHAREN

In veel boerendorpen was het vroeger een algemeen beeld; een getuierde (gepaalde) pony of geit langs een sloot, op een grasstrook langs een boerderij, in een onbespoten boomgaard, onderaan een winterdijk of tussen populieren op een stukje niemandsland. En wanneer de cirkel voldoende kaal was gegeten, verkaste de pony of geit naar een stukje verderop. Angst voor hoefbevangenheid heeft bij deze vorm van beweiding nogal eens een rol gespeeld. Wat hierbij niet in ogenschouw werd genomen, is de behoefte van een loopdier aan veel beweging.

Hoefbevangenheid is een aandoening bij het paard waarbij een ontstekingsproces in de hoeven ontstaat door opname van een teveel aan suikers en eiwitten (er zijn echter meerdere oorzaken). Paarden en pony’s laten grazen in een koeienweide is daarom niet verstandig; het vergroot de kans op hoefbevangenheid. Om tot een zo groot mogelijke melkproductie te komen, grazen koeien namelijk in weiden met een een eiwitrijk grassoort (Engels raaigras). Bij gebruik van kunstmest wordt bovendien stikstof omgezet in eiwitten.

Merries in de lactatieperiode en paarden op leeftijd hebben een iets grotere behoefte aan eiwitten, maar zeker de sobere paarden- en ponyrassen en paarden die weinig in training zijn, kunnen beter op schraalland worden gehouden. Kiezen voor een kruidengrassoort met een laag gehalte aan suikers en eiwitten, geen of weinig kunstmest gebruiken en de bodem verrijken met organische mest (zoals stalmest).

Wees bij schraallanden altijd extra alert op de aanwezigheid van het Sint Jacobskruiskruid, zowel op zand- als kleigronden. Het is giftig (op termijn dodelijk) voor mensen, paarden en vee; zeker bij hooiland dient dit kruid met zijn gele bloemen voorafgaand aan de oogst handmatig (met handschoenen) verwijderd te zijn.

In Brabant en op de Zuid-Hollandse eilanden zag ik het met een kleine regelmaat; trekpaarden bij koeien ingeschaard. De ene keer tussen melkkoeien, de andere keer deelden de paarden de weide met jongvee nadat het land was gebloot. Direct na het afgrazen door het melkvee werden plukken gras, distels, zuring en boterbloemen gemaaid. En hoe Fries kon Friesland zijn, in een open weidelandschap trof ik meerdere keren Friese paarden aan, grazend tussen het nu zeldzaam geworden zwartbonte Fries-Hollandse melkvee.

Hoewel het in vroegere tijden dan geen uitzondering was, in de regel zijn de meeste veehouders van nu, om een andere reden dan het risico van hoefbevangenheid, er niet meer van gecharmeerd om paarden en pony’s in te scharen bij koeien. Koeien en zelfs stieren hebben ontzag voor paarden; deze hebben de absolute heerschappij in de weide, ongeacht hun leeftijd.

Met de moedermelk nog aan zijn snuit geeft een veulen als tijdverdrijf een likbeurt aan een liggende pink en zal daarbij met zijn hagelwitte melktandjes proberen de gevoeligheid van de oren van de pink uit te testen. Wanneer hij het succes ervaart van zijn overwicht zal hij koeien herhaaldelijk lastig vallen en opjagen, rustende herkauwende koeien laten opstaan. Ongetwijfeld goed voor lijf en leden, maar de melkproductie neemt af. Jongvee laat zich eveneens intimideren en kan in paniek zijn kop verliezen.

Met stomme verbazing was ik eens getuige van de moed van een warmbloedveulen. Op de uiterwaard waar ik dagelijks mijn honden uitliet, zag ik hoe het hengstje zich bewegingsloos en loerend verschanste achter een haag met dichte meidoornstruiken die vaak als dekking was gebruikt. Met enige regelmaat nam ik hierin een ransuil waar, zich lang makend en mij bespiedend, waar wekenlang twee onderbroeken uitdagend in de takken hebben gehangen en te zien was hoe de wind hier vorm in blies en toonde hoe een kramsvogel zijn paarse meidoornbes-ontlasting heel precies in de herenslip had gemikt, de plek waar de compromitterende ontmoeting met het altijd vriendelijke Amrobank-meisje samen met haar vriend plaatsvond, bij deze groep boomstruiken te midden van het vele closetpapier van een overnachtende groep zeilers, zag ik de overrompelende aanval van het veulen op een veel grotere vaars (koe, éénmaal gekalfd), die volkomen verrast hals over kop vluchtte en daarmee aanleiding gaf tot een lange achtervolging.

Dat paarden niet altijd ongeschonden uit een pesterijtje komen, dat ervoer de moeder van dit warmbloedveulen. Ik trof haar aan met een hevig bebloede borst, een wond zo diep dat er over de oorzaak geen misverstand kon zijn. Meerdere keren had ik gezien hoe zij probeerde een vaars aan de andere kant van het prikkeldraad ( is niet meer van deze tijd) in haar hoornige kop te bijten. Heel duidelijk heeft een van deze vaarzen als reactie hierop naar haar gestoten met dit als gevolg. Een dierenarts heeft de wond moeten hechten.


Koeienman

KOEIENMAN

De voetballerij bracht mij naar dorpen waar mijn elftal tegen boerenjongens speelde op velden die lagen tussen weilanden met koeien. Het viel mij op dat het land de geur van koeien overneemt. Ik ontdekte dat er hiërarchie onder koeien bestaat en dat het geloei tegen melkenstijd toeneemt. Al waren het tot nu toe mijn enige beelden, koeien fascineerden en intrigeerden mij. De verhuizing naar een buurtschap waar uitsluitend veehouders met hun gezinnen woonden, bracht mij niet alleen in een andere wereld maar ook dichter bij het vee. Het was al gauw bij de buren bekend dat ik om middernacht stopte met schilderen. Heel wat keren onderbrak ik ‘s avonds na een belletje mijn werk, kroop in een overall en stond, lag of knielde even later met de veehouder achter een kalvende koe. Deze herhaalde gebeurtenissen brachten mij ertoe op een landbouwschool een avondcursus veeverloskunde te volgen.

Bij mijn uiterwaardwandelingen hielp ik een stel pinken (ongeveer 1 jaar oud) dagelijks aan water, omdat de mechanische waterpomp veel te stroef werkte voor de jonge dieren. Het met de hand aandrukken gebeurt in gebukte houding en daar voel ik ineens met een beuk een enorm gewicht op mijn rug komen. Ik kon met moeite mijn evenwicht houden en mij bevrijden van die tochtige pink. Een beetje beschamende vertoning; ongetwijfeld heeft iemand dit tafereel vanaf de dijk mogen gadeslaan.

En dan was er nog een ander avontuur nabij dit weiland, een voor mijn gevoel sinistere belevenis. Bij een wandeling in het donker over het met meidoornstruiken afgezette, slingerende pad rijdt een auto met gedoofde lampen mij tegemoet. Dan hoor ik ineens hard remmen waarbij basaltsteenslag wegspat, gevolgd door met veel gas achteruitrijden. Enkele dagen later maak in de avond dezelfde wandeling. Het is in een week met hoge zomerse temperaturen. Dichtbij de plek waar die autobestuurder zo vreemd reageerde, hangt een ondraaglijke stank. De altijd aanwezige geur van mest en urine van koeien die bij regenbuien en storm beschutting zoeken in de droge sloot lijkt verdwenen te zijn. Thuisgekomen besluit ik de politie te bellen om het voorval en de locatie door te geven. Ik vond het toch een beetje thuishoren in een Tatort-scenario. De volgende ochtend vroeg kijk even vreemd op als twee agenten mij komen ophalen. Bij het instappen achterin realiseer ik me dat in dit buurtschap het geven van uitleg over het vermeende bureauverhoor op prijs wordt gesteld. De stank van de avond is nu aanzienlijk minder en na enig zoekwerk dient de verklaring zich aan. Een van agenten vindt in het struweel een verlaten eendennest met een legsel van zeker tien rotte eieren. Bij de ontdekking voel ik me heel klein worden.

Mijn inmiddels opgebouwde ervaring in de omgang met koeien kon ik op een nacht benutten. Ik schrok wakker van een klap en liep in mijn pyjama naar buiten, waar ik het doorslippen van een auto hoorde dat spoedig stopte, gevolgd door voetstappen van iemand die zich snel uit de voeten maakte. Door de extreem dichte mist kon ik hem niet zien. De persoon was in een bocht rechtdoor gereden, dwars door een landhek en in het weiland naast mijn woning terechtgekomen. Tot mijn schrik zag ik de vijf grote stieren op de weg lopen, een verbindingsweg die ook ‘s nachts veel gebruikt wordt. Met een bezem zag ik kans de dieren terug te drijven naar een hoek van het weiland, waarna ik de veehouder kon waarschuwen. Later heeft de verzekeringsmaatschappij mij voor deze actie beloond. Het gaf mij het gevoel nu een echte koeienman te zijn.


Stierengedrag

Alerte blaarkopstier

STIERENGEDRAG

In het voorjaar spring ik de buren bij wanneer hun koeien vanuit de stal over de dijkweg naar de uiterwaard gedreven worden. De koeien verkeren in een kortstondige stresstoestand. Ze ruiken de zoete adem van de lente en weten dat ze weer kunnen grazen. Eenmaal op de uiterwaard drukken ze elkaar met hun hoornige koppen weg, jagen elkaar na, grazen schrokkerig en loeien onophoudelijk. Een vreemde onervaren hond die zich nu te midden van deze koeien – in al hun uitgelatenheid – begeeft, loopt het risico tegen de grond gedrukt te worden waarbij de koe door de voorbenen zakt om meer kracht te kunnen zetten. De meegekomen jonge weidestier, herkenbaar aan zijn vierkant hoofd en gestopt lichaam, wordt onder handen genomen. Een beetje timide staat hij erbij; een paar tochtige (bronstige) koeien geven hem geen rust en bespringen hem herhaaldelijk van voren en van achter. Hij vermant zich en gaat aan de slag. Na de tweede dekking valt zijn oog op mij. Op zwaaiende armen reageert hij niet en daardoor neem ik zijn lichaamstaal serieus: hij heeft het op mij gemunt. Ik schat direct in dat de overkant van de sloot niet met droge voeten gehaald wordt maar doordat ik bij de afzet van de sprong uitglijd in de natte klei beland ik in het midden van de sloot.

Ik heb meer ervaringen met stieren en verbaas me er telkens over dat mensen de waarschuwing op het bordje “Pas op gevaarlijke stier” niet ernstig nemen en klakkeloos het weiland inlopen.

In de tijd dat hooi nog in kleine balen werd geperst, liep een zware volwassen stier, achter een ondeugdelijke afzetting, een hele poos met mij op. Telkenmale als ik naar de afzetting liep om een hooibaal op te steken, deed hij een schijnaanval, met de kop omlaag, tot vlak voor het draadje; begon te loeien, te snuiven en met zijn klauwen over de droge kleigrond te schrapen en wel zo hard dat hij in hoog opdwarrelende stofwolken stond.

Stieren zijn betrouwbaar, je weet immers vooraf hoe ze kunnen reageren.


MelkbussenMelkbussen 2Melkbussen 3

MELKBUSSEN

IJzeren melkbussen wegen ongeveer 10 kg, de aluminium bussen zijn aanmerkelijk lichter, naar ik inschat ruim 1 kg. Wanneer ze grotendeels gevuld worden, komt er al gauw 30 kg bij. Maakten melkveehouders in de regio gebruik van een melkkoeler dan werd er 1x daags gereden, zonder koeler werden de melkbussen ‘s morgens en ‘s avonds opgehaald met uitzondering van de zondagen en de wintermaanden.

Toen ik op vijftienjarige leeftijd op zoek ging naar een vakantiebaantje werd ik door de melkfabriek afgewezen omdat ik “te schraal “zou zijn. Uit frustratie over die belediging ben ik juist veel melkbussen gaan schilderen; ik heb er ook een paar in mijn tuin gezet met bloemen erin.

Melkbussen 4


Vulpes vulpes

VULPES VULPES (Europese vos)

Even afwachten of de Shetlanderhengst zijn tred zal verhaasten; de jonge vos neemt toch maar het zekere voor het onzekere en neemt de kuierlatten. Behoedzaamheid is een ingeboren aard van de vos. Zich in het begin laag makend, sluipt hij door droge sloten en greppels, tussen landbouwgewassen weg om op afstand, verscholen in het struweel, het vermeende gevaar te kunnen observeren. Vossen hebben een territoriuminstinct; daarom zijn het dezelfde vossen die zich in de buurt van boerderijen ophouden op zoek naar muizen en ratten, daarnaast staan ook bramen, bosbessen, wormen, aas, fruit, ziek/verzwakt wild en insecten (vooral kevers) op hun menu. Wanneer een vos wegvalt, wordt zijn plaats in een revier meestal ingenomen door een dolende jonge vos. De dichtheid van een populatie in een leefgebied wordt bepaald door het voedselaanbod. De vos is een schuw, bedachtzaam dier dat vooral heel vroeg in de ochtend en na het invallen van de duisternis actief op zoek gaat naar voedsel. De meeste kans om een vos ook overdag te kunnen zien, is in de maand januari, de paartijd voor vossen ook wel rekel- of ranstijd genoemd. Vossen tonen hun aanwezigheid in een gebied op meerdere manieren:

Om zijn revier te markeren zet de rekel (mannetje) met een geurklier geurvlaggen af. Ook voor de mens is deze markering te ruiken.

Vossen mesten op de meest uiteenlopende plekken, vooral opzichtig.

Contact zoeken met elkaar (communiceren) door te keffen.

In de sneeuw zijn prenten van de vos direct van hondensporen te onderscheiden. De pootafdrukken van de vos liggen op één lijn waarbij de achterpoot instapt (in prent voorpoot),

  de dikke winterstaart laat veegsporen achter.

Vossen hebben een voorkeur voor konijnenholen met meerdere uitgangen, maar ze kiezen ook wel voor een duiker of holle boom als bouw. Met name in januari graven ze vaak in sloottaluds,   te zien aan het uitgegraven witte, gele of bruine zand. De pijp heeft een zodanige doorsnede dat je niet begrijpt dat een vos zich hierin kan verplaatsen. De moervos zal bij verstoring haar jongen naar een ander hol brengen en vandaar het aanleggen van meerdere holen.

In tegenstelling tot dassen, die zo zindelijk zijn dat ze zelfs een urinoir inrichten, tonen vossen dat er geleefd wordt. Voedselresten en mest, het is er te vinden in de directe nabijheid van het hol. Ze zijn niet kieskeurig met voedsel; een overschot wordt begraven voor een tijd van schaarste. Aan de stank in het hol weet je dat deze belopen is, of er gewoond wordt. Toen ik dit een keer wilde onderzoeken bij een burcht aan de rand van een koolzaadveld, liggend met mijn hoofd in het voorste deel van de pijp, werd er achter mij geblaft, zo leek het. Op een tiental meters verwijderd stond een reebok, met bloeiende koolzaadstengels verstrengeld om zijn gewei, mij gade te slaan; sprong over de sloot, begon opnieuw te blaffen en hield dat nog enige tijd vol om uiting te geven aan zijn kwaadheid en schrik.

De vos treft hetzelfde lot als de stootvogel (roofvogel); als hij door het terrein of het bos struint, er zijn altijd wel vogels die hem tot voorbij de gevarenzone luidkeels vergezellen en daarmee andere veld- en bosbewoners alarmeren.

In april krijgen moervossen vier tot zes zwart-grijze jongen, een enkele keer zeven. Het kan gebeuren dat zo’n zwarte welp zich naar buiten manoeuvreert, zeer kwetsbaar, onbeholpen en niet gevoelig voor indrukken. Als in mei de rode kleur de overhand krijgt komen ze met enige regelmaat naar buiten, worden nog wel gezoogd, maar krijgen ook hun eerste muizen. In dit groeistadium zijn zij zeer alert, vluchten bij onraad, zoals voor onbekende geluiden, bewegingen en veranderingen bij het hol, direct naar binnen om daar geruime tijd te blijven. De ouders brengen het voedsel vroeg in de ochtend of in de schemer teneinde het risico van het ontdekken van de burcht tot een minimum te beperken. Verweesde jongen zullen, indien hun fysiek dit toelaat, de bouw verlaten. Zij raken snel vermagerd en gedesoriënteerd. Een week of drie blijven de jongen dicht bij de burcht, daarna worden de verkenningstochten steeds langer. De ouders stimuleren dit pioniersgedrag door prooidieren op een steeds groter wordende afstand van de burcht achter te laten. Van jongs af aan vullen ze de dagen met elkaar mollen en spelen met voedselresten, maar hoe ouder ze worden hoe feller de voernijd wordt, de strijd om het aangeleverde voedsel wordt zo fel dat de jongen op een leeftijd van vier tot vijf maanden kiezen voor volledige zelfstandigheid, de rekels gaan als eerste, de vrouwelijke jongen moeten wel eens door de moervos weggejaagd worden. Het betekent in ieder geval dat zij het in hun eentje maar verder moeten zien te klaren waarbij hun verkenningstochten ze in een nog vreemde wereld zullen brengen.,

Paarden en herten hebben dwarse (horizontale)pupillen, die een zachte blik geven. Het gevaar voor hen komt uit het open terrein, niet uit de lucht. De blik van een vos is van een roofdier; verticale pupillen die het mogelijk maken ook de lucht snel af te turen en in te stellen op boomtakken en zo. Het minder geliefd zijn (natuurlijk niet bij iedereen, natuurfreaks houden van vossen), heeft hem wellicht zijn eenvoudige Latijnse naam bezorgd.

De vos verdient het in zijn waarde gelaten te worden. Bij elke, dikwijls door menselijk handelen veroorzaakte, verstoring in de natuur hoor je zijn naam al snel vallen. De oorzaken zijn in de regel complex en dienen tot in het buitenland toe (bejagen weidevogels) gezocht te worden.

Door een predator als de vos wordt het lijden verkort van zwakke en aangeschoten dieren, myxomatose konijnen en, na het uitbaggeren van sloten en het maaien van slootkanten, van donsvogels, kikkers en vissen.


Krachtpatsers

KRACHTPATSERS

Direct na het ochtendmelken heeft de veehouder zijn trekpaarden ingespannen. De hevige regenval van de laatste dagen heeft de zavelgrond van de bietenakker drassig gemaakt. Vandaar dat hij heeft gekozen voor een driespan, maar desondanks blijft het aanpoten voor de merries.

Er zijn twee kampen; de liefhebbers van het sportpaard die met een meewarige blik hun schouders ophalen bij het aanhoren van verhalen over krachtpatserij onder trekpaarden en dan hebben we de veel kleinere groep van fervente koudbloedaanhangers voor wie paarden alleen trekpaarden zijn. Ik heb met dat gegeven altijd rekening gehouden. Mijn waarneming van een sensibel bloedpaard (volbloed) in een weiland dat bij het urineren in paniek weg stoof en daarna geruime tijd zijn plas ophield omdat het zo geschrokken was van een klapwiekende fazantenhaan een aantal meters verderop, vertel ik niet in kringen van het trekpaard, het zou ergernis oproepen.

Op boerderijen waar nog gebruik werd gemaakt van paardentractie, zag ik vooral trekpaarden aan het werk en bovendien voedde ik mij op deze adressen met bijzondere verhalen over dit ras. Vanuit een gevoel van mededogen en blijdschap over de goede afloop, schilderde ik meerdere keren het driespan trekpaarden dat bij het op wintervoor ploegen betrokken was bij een incident. Een van de drie paarden geraakte op de kopakker (keerpunt) in een sloot en trok de andere twee met zich mee. En dan de strijd die de bejaarde boer voerde, tot er hulp kwam opdagen, om het hoofd van het onderste paard boven water te houden doordat de merrie onder het massale gewicht van de andere in ademnood kwam en na enige tijd het bewustzijn verloor.

Af en toe heb ik mijn verwachting ten aanzien van de kracht van het trekpaard wat moeten bijstellen, zoals bij het verloop van een paardentrekwedstrijd in Vlaanderen waarbij beladen sleden werden voortgetrokken. Een imposante Fjordenmerrie met billen als van een Nijlpaard, zo zwaar dat ze bijna op haar hakken hingen, zat nog volop in de wedstrijd terwijl meerdere trekpaarden na twee mislukte pogingen als wegwerp-bodybuilders aan de kant stonden. Het voelde alsof het ras mij in mijn hemd zette; eigenlijk een bewijs hoe verknocht ik ben aan het trekpaard.


De travalje

DE TRAVALJE

De meeste travaljes, ook wel noodstal, hoefstal of paardenstoel genoemd, waren in gebruik bij hoefsmederijen op de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden en in de Betuwe. Een enkel exemplaar vind je nog in de provincie Groningen. De bewerking van zware landbouwgronden vroeg om sterke werkpaarden met massa. Toch zijn er altijd smeden geweest die het sneller kunnen werken, verkozen boven lichamelijke ontlasting. Om “ uit de hand” te kunnen beslaan, zette de smid het paard vast aan een ring in de muur van de smederij. Een voormalig legerhoefsmid liet mij eens zien wat hem uiteindelijk had overgehaald een travalje te plaatsen. Een groot deel van een hoeksteen van zijn smederij ontbrak. Een boerenpaard had zich razendsnel omgedraaid en rakelings langs het hoofd van de smid geslagen.

De travaljes die we in Nederlandse dorpen vinden, vallen onder “beschermd dorpsgezicht” en mogen niet gesloopt worden. In dit opzicht zijn de havensteden een slecht voorbeeld als het aankomt op de bescherming van monumenten die herinneren aan het tijdperk van paardentractie. Waterdrinkbakken waaruit duizenden sleperspaarden hun dorst lesten, zijn uit het stadsbeeld verwijderd en vernietigd.

Om de ambulante paardensmid te gerieven, plaatsten sommige trekpaardenhouders een houten of ijzeren travalje in een schuur of op het erf. Manegebedrijven met pensionpaarden zouden dit initiatief best mogen opvolgen. In de ploegtijd konden boerenpaarden van vermoeidheid op een smid gaan hangen, vervelender wordt het wanneer stalpaarden de sleur van de dag verbreken met klieren: in de rug van de smid bijten of het herhaaldelijk terugtrekken van een been.

Gedurende de jaren waarin ik zaterdags bij een hoefsmid werkte, heb ik menig incident zien gebeuren of ik was daar zelf bij betrokken. Deze gebeurtenissen zouden bij gebruik van een travalje niet ontstaan zijn. Een voorval op een winterse dag met een nerveus pensionpaard dat bij het bekappen (besnijden hoeven) door mij werd vastgehouden zal ik niet licht vergeten. Ik had mij geposteerd recht voor het paard (onverstandig) . De dooi zet snel in en sneeuw glijdt met kabaal van een pannendak naar beneden. Het paard stuift naar voren en lanceert mij. Liggend op de grond merk ik dat mijn ene hand, die ik in mijn broekzak had gestopt, meer ruimte heeft gekregen. De broekspijp is tot aan de knie op de naad uitgescheurd. Pas later komt een verschrikkelijke hoofdpijn opzetten en voel ik hoe beurs mijn buik en kont zijn.


MARLIES EN YNUSA, PERSOONLIJKHEDEN

Marlies en haar veulen

Marlies

Omgeploegde akkers met vette ruggen kleigrond in de Betuwe roepen herinneringen op aan vroegere tijden. De vruchtbare grond moet heel veel gevergd hebben van Gelderse ploegpaarden die hier zo goed op gedijden en alom in den lande waardering genoten als boerenpaard. Het Gelderse paard met zijn opvallend exterieur – plat kruis, hoge staartinplant en enigszins verheven gang – en een doorgaans betrouwbaar karakter. Wat het laatste betreft was Marlies voor mij wel het prototype van het klassiek Gelderse paard. Voordat ik de tijdelijke zorg voor haar kreeg, had ik al het een en ander over haar gehoord. Bij zomerse temperaturen nam zij het initiatief om baantjes te trekken in de rivier, waarna andere merries met veulens volgden; zij zwommen zelfs langs varende rijnaken. Niet zorg dragen voor een deugdelijke afrastering brengt grote risico’s met zich mee voor mens en dier. Op een vroege zondagmorgen belde een boer uit een nabijgelegen dorp mij; de paarden waren uitgebroken en liepen nu bij zijn boerderij in een moestuin met boerenkoolstruiken. Als leidmerrie zorgde Marlies ervoor dat de groep paarden over de dijk kon terugkeren. Toen een dronken automobilist de dijk af karde, galoppeerden de paarden onder aanvoering van Marlies vanaf de rivieroever naar de dijk om als eerste in alle gemoedsrust de schade te bekijken.

Op de verlate gorzing (buitendijks weiland) bekapte ik haar zonder de noodzaak haar vast te moeten zetten. Al heeft een merrie lichte weeën, bij spiedende ogen kan zij de geboorte een poos uitstellen. Daarom was het zo uitzonderlijk dat ze in mijn aanwezigheid op de uiterwaard een veulen ter wereld bracht. Toen op een dag dit veulen niet meer wilde drinken, maakte Marlies met trapbewegingen naar haar uier duidelijk dat deze bijna ‘knapte’ van de spanning, waarna ze zich gewillig liet afkolven. En dan een voorval op de uiterwaard dat mijn liefde voor paarden danig op de proef stelde. Een herfstavond met storm en regen; het is aardedonker. Vanuit mijn werk ben ik op de fiets bij de uiterwaard aangekomen en blijf ik de paarden roepen, maar mijn stemgeluid wordt door de wind uiteengeslagen. Zonder iets gehoord te hebben, draai ik me om. Vlak voor me komen drie of vier paarden in draf, recht op mij af. Zoals gewoonlijk Marlies voorop; ze raakt me met haar boeg (gewricht schouderblad/opperarmbeen) waardoor ik een kwartslag draai. Bijna op hetzelfde moment voel ik een klap tegen mijn heup en zie het terugtrekken van een rechterachterbeen van een paard dat schuin achter Marlies heeft gelopen. De paarden stuiven weg, een slow motion volgt. Een traag duwende kracht doet mij achterover vallen en er ontstaat een verlammend gevoel vanaf mijn heup tot aan mijn voet. Hulpeloos lig ik in de modder bij een hevige regenwind. Het vreemde aan deze situatie was, dat het rationeel denken de emotie verdringt. Wetende dat mij geen enkele blaam treft, neem ik op dat moment het besluit nooit meer iets met paarden te maken willen hebben. Het was zeker niet de eerste maar wel de pijnlijkste klap die ik van een paard heb gekregen. Eenmaal in de zithouding kan ik doorzetten en met een slepend been bereik ik het hek. Met één been trappend tegen de wind in bereik ik met uiterste krachtinspanning mijn huis. Na een paar dagen sta ik op krukken weer tussen de paarden. Een merrie die meer op mij is gesteld dan op soortgenoten kan ik niet in de steek laten. Van één ding ben ik overtuigd: Marlies heeft mij met haar schouderduw voor ernstig letsel behoed.

Ynusa

Ynusa

Ynusa

Het zien van de zwarte ruin uit de tv-serie “Bartje” , de verfilming van een streekroman van Anne de Vries, was mijn eerste kennismaking met het Groninger paard. Dit boerenpaard, statig van voorkomen, bewerkte in de serie de akkers rondom het Drentse dorpje en bracht, bespannen voor een kar, de moeder van Bartje ten grave. Beelden die beklijven. Het boerenechtpaar dat eigenaar was van deze ruin, verscheen jaren later voor de radio en nodigde eenieder uit om hun Groninger, inmiddels op hoge leeftijd, te komen opzoeken. Het spijt me nog altijd dat ik destijds niet van deze gelegenheid gebruik heb gemaakt. Verheugd dat ik hierna nog wel een paar Groninger paarden bij het boerenwerk heb mogen gadeslaan. Zo was er Ynusa, een in Groningen gefokte Groninger merrie van het klassieke type. Nu zijn er paarden van het dominante type die zich altijd willen laten gelden, een overdreven voernijd kennen en los met de beentjes zijn. Bovendien kunnen deze paarden luidruchtig zijn; gillen bij onderlinge conflicten, hevig snurken tijdens de nachtrust en hoorbaar kreunen bij het mesten. Ynusa was anders, heel anders, veel meer ingetogen. Het leek wel of zij met haar baas een stilzwijgend convenant had gesloten; in ruil voor kost en inwoning, dien ik jou en dat met gratie en een goed humeur. Bij het veldwerk kon niets haar uit balans brengen.
Er zijn paardenhouders die stellen dat de grootste lastpakken de persoonlijkheden onder de paarden zijn, omdat ze doorgaan voor het behalen van resultaat. Voor mij waren Marlies en Ynusa persoonlijkheden onder de paarden, omdat zij een groot vertrouwen hadden in de mens, je kon op ze bouwen en op een relaxte manier tot samenwerking komen.

Ik ben dankbaar Marlies en Ynusa gekend te hebben.


Brouwerspaarden

BROUWERSPAARDEN

Gelet op de leeftijd van hun warmbloedpaarden, vindt brouwerij Heineken dat de tijd is aangebroken om ze te vervangen en opzoek te gaan naar jonge paarden die reclamewagens kunnen voorttrekken. De voorkeur gaat opnieuw uit naar zware warmbloedpaarden, doch de extra zware klassieke Groningers moeten met een kaarslichtje gezocht worden. Trekpaarden hebben kracht en massa, maar voor het showelement iets te weinig temperament (niet alle brouwers denken daar hetzelfde over). Lichtvoetige Franse en Duitse koudbloedrassen zijn ook overwogen, maar tenslotte valt de keuze op Shires.

Gé en Hans treden in 1984 bij Heineken Brouwerij Nederland in dienst. Op de dag na hun aankomst gaan de in Engeland gefokte en beleerde paarden hun kunnen tonen aan de voltallige directie. Bij het commando ‘walk on’ volgt geen reactie. Na de herhaling van die woorden, ondersteund door een lichte aanraking met de zweep, ontrolt zich een bloedstollend spektakel in een straat vol met geparkeerde auto’s. Gé springt met alle kracht naar voren, Hans met dezelfde vaart naar achteren en ze wisselen dit springgedrag telkens af in tegengestelde richting. Dan naar links, weer naar rechts gevolgd door een steigeractie van beide paarden. De directie houdt het voor gezien en keert terug naar kantoor. De koetsiers blijven met hartkloppingen beduusd achter, besluiten los te koppelen en na te praten. Het is duidelijk, al hun energie en tijd moeten gestoken worden in het beleren van de groene paarden. Het zal een zware klus worden. Ze kennen de voorgeschiedenis van de paarden niet en dit incident draagt er ook niet toe bij dat de paarden snel hun vertrouwen zullen schenken. Het wordt al snel duidelijk; Gé is zeer éénkennig, wantrouwend naar mensen toe en iedere verzorger weet dat in een beangstigende situatie Gé zijn lange benen gaat gebruiken. Om zijn vertrouwen te winnen, legt een koetsier een zakdoek die hij een tijdje op de blote huid heeft gedragen, in de lege voerbak. De volgende morgen duurt het uren, dwingt het tot veel geslijm en kost het brokjes voordat de eerste tekenen van vertrouwen in de verzorgers zichtbaar worden. De benen van Gé hebben immer respect afgedwongen en het heeft jaren geduurd voordat hij uit de hand kon worden beslagen en niet meer in de speciaal voor hem gebouwde travalje (hoefstal) hoefde. Met veel geduld en tact hebben de koetsiers de paarden zover gekregen dat ze gelijk opwerkten; de immer dribbelende, temperamentvolle Gé is rustiger geworden en Hans wat vlotter. Als Hans voor één keertje naast een ander rustig paard komt te lopen, staakt hij zijn trekwerk voor de bierwagen in het centrum van Amsterdam. Hoe begripvol en met geveinsd geduld hij ook wordt bejegend, hij weigert en dat werkt aanstekelijk op het andere paard. De paarden worden uitgespannen en naar de stallen geleid. Koetsiers en verzorgers hebben de bierwagen ( gewicht van bijna 4.5 ton ) naar de stallen teruggeduwd.

Gé, nog nooit een dag ziek geweest, is vijftien jaar geworden, had een schofthoogte van 1.84 meter en woog 820 kilo. Hans ging in 1996 met vervroegd pensioen, heeft in zijn beste jaren 1000 kilo gewogen bij een schofthoogte van 1.89 meter. Hij beantwoordde aan het beeld dat veel fokkers van Shires hebben, lui en aan niets anders denkend dan voedsel. Verder een ongecompliceerd paard.

Heineken is de enige Nederlandse brouwerij met eigen paarden (niet in bruikleen). Maar meer lovenswaardig is de keuze dat de paarden eens met pensioen mogen gaan. Zo waren er in een weiland Heineken warmbloedpaarden van dertig jaar en ouder te zien.

Het lot dat zoveel paarden boven het hoofd hangt, na een aantal omzwervingen via de handel op een paardenmarkt terecht te komen en nadat manen en staartharen zijn afgeschoren naar het slachthuis gebracht te worden, blijft deze paarden bespaard.


Weidevogelbeheer

Kemphanen in baltstijd

WEIDEVOGELBEHEER

Door de werkzaamheid van de mens verandert het landschap. Na de ruilverkaveling is er een einde gekomen aan de grondversnippering. Landerijen zijn geëgaliseerd, nogal eens gedraineerd en kronkelende sloten rechtgetrokken om machinale bewerkingen van het land te vergemakkelijken. Het bracht met zich mee dat veel bloemrijke beemden en laag gelegen vochtige weiden verdwenen. Hier en daar zijn niveauverschillen in het cultuurlandschap nog waar te nemen zoals op uiterwaarden waar hemelwater de laagst gelegen plaatsen zoekt en er natte weiden met poelen ontstaan. Het zijn ideale voedselplaatsen voor waadvogels (hoogpotige vogelsoorten) die van waterinsecten, larven en rivierkreeften leven.

Weilanden, met stalmest en gier bewerkt, kennen een rijk bodemleven waar weidevogels (grutto’s, kievieten, wulpen, tureluurs en meer soorten) van profiteren. In dit opzicht mag het nut van akkerland voor vogels niet ongenoemd blijven. Door langdurige regenval ontstaan plassen, met name in bandensporen van oogstmachines. Vogels als kievieten en kemphanen, die zich doorgaans in weilanden ophouden, zoeken aan de randen van die plassen naar slakken en wormen. Deze en andere ongewervelde dieren voeden zich met achtergebleven aardappelen, bietenresten en halfverteerde maisstoppels. Ook op akkers met rottende groenbemestingsgewassen kun je in het vroege voorjaar foeragerende weidevogels aantreffen.

Om de vogelstand een mogelijkheid te bieden zich te kunnen herstellen, legt een klein aantal veehouders (ook wel vogelweideboeren genoemd) plasdrassen aan. De bovenste laag van grasland graven zij af en maken een verbinding met een of meerdere sloten waardoor een wisselend waterniveau op het perceel ontstaat. Percelen plasdras blijven het gehele jaar of een deel van het jaar blank staan, bieden voedsel aan waadvogels en eendachtigen. In de nabijheid van zo’n waadpoel wordt ook genesteld. Met de afgegraven grond worden dijkjes om het perceel gevormd die beschutting, bescherming en rust bieden. Er zijn agrariërs die nog verder gaan in hun streven tot herstel. Slootkanten afschuinen om meer natuurlijke levensruimte, voedselaanbod en nestelgelegenheid te bieden en tevens het gevaar van steile kanten voor donsvogels weg te nemen. Het slootwaterpeil, bepaald door de slootdiepte, brengen zij terug tot vroegere waarden zodat het water niet te snel wordt afgevoerd en de bovenlaag van het omliggende land langer vochtig blijft. Twintig centimeter diepe greppels graven met een onderlinge afstand van zestien meter, rekening houdend met het spreidingsbereik van elf tot twaalf meter van giertank en mestverspreider. Smalle stroken langs de greppels blijven hierdoor onbemest. Met name voor kievieten en tureluurs zijn het ideale broedplaatsen doordat de dichtheid en groeisnelheid van het gras hier minder zijn. Alleen grutto’s zijn eigenwijs en nestelen in het hoge gras met gevolg dat vóór de bewerking van het grasland, vogelweideboeren wel tot vijf keer toe een nest moeten verleggen naar de greppelkanten. De kuikens verplaatsen zich bij het foerageren makkelijker over deze stroken. De greppels blijven in perioden van droogte langer vochtig en hebben meer afwisseling in bodemfauna en – flora. Donsjongen, de vliegkunst nog niet machtig, duiken na alarmkreten van hun ouders, de greppel in en drukken zich tegen de grond, bij voorkeur in klauwafdrukken van koeien; ze zijn vrijwel niet te ontdekken. Sommige vogelkenners horen aan de alarmroep van oudervogels of er een buizerd, wezel of kat is gesignaleerd.

De kans is uiterst klein geworden, maar wellicht dat het nog eens lukt, om ergens in het noorden een tafereel te mogen aanschouwen dat zal bijblijven; Friese paarden voor een hooimachine, op korte afstand gevolgd door parmantige ooievaars. De zich verplaatsende paarden veroorzaken trillingen in de grond (zeker bij veengrond), waardoor bodemwroeters als wormen naar boven komen. Het opgeschudde hooi doet grove insecten opvliegen en veldmuizen maken zich uit de voeten. Brutale kraaiachtigen laten zich evenmin onbetuigd, duiken in het hooi, vliegen op en strijken een stukje verder weer neer.

Deze ogenlust had niet mogen verdwijnen.


Niet uitsluitend voor de haute volée

Paardenmensen zijn in alle gelederen van de maatschappij te vinden. De een beleeft veel schik aan de Shetlanderruin van zijn/haar kleine meid, de ander – vrijwel verzadigd van alle kicks – vindt zijn Argentijnse polopony’s  ‘verdraaid leuke speeltjes’. Door onze toenemende welvaart heeft de paardenhouderij iets van zijn elitaire karakter verloren. Hoewel de verzorgingskosten hoog zijn en zullen blijven, is deze liefhebberij voor meer mensen toegankelijk geworden. Inmiddels vermaakt en ontspant een aantal honderdduizenden Nederlanders, jong en oud, zich met sport-, recreatie- en manegepaarden. Het aantal deelnemers aan endurancewedstrijden neemt toe; het gaat hierbij om tochten over lange afstanden in een verantwoord hoog tempo. De parcoursen (verschillende afstanden) zijn vrijwel altijd uitgezet in natuurterreinen zoals bossen en duinen. Voor paarden en pony’s die nog in de luren liggen (jong en onervaren) of door hun lichaamsbouw minder geschikt zijn voor het grote werk, wordt een korter traject gekozen. Er is een grote verscheidenheid aan rassen: Engelse en Anglo-Arabische Volbloeden, dravers, KWPN ’ers, Quarters, tussenmaatse paarden als IJslanders, Haflingers en Fjorden, gekruiste rassen en de ware marathonlopers Arabische Volbloeden. Het aanbieden van een paard voor de veterinaire eindcontrole gebeurt een half uur na binnenkomst. Deze tijd gebruiken door met het paard te gaan stappen, doet de hartslag teruglopen en verzuring van spieren verminderen. Net als mensen zweten paarden na zware arbeid een tijd na. Door het nastappen hopen afvalstoffen die ontstaan zijn na verbranding van energie zich niet op maar worden afgevoerd met als resultaat dat de paarden de volgende dagen minder stijf zullen zijn.

 

 

 

Het is altijd een prettige gedachte te kunnen rekenen op de aanwezigheid en steun van het thuisfront.

 

 

 

 

 

Na de wedstrijd volgt de toepassing van een ongeschreven wet waarover niet te protocollen valt: na binnenkomst komt niet de verzorging van de mens op de eerste plaats maar die van het paard. Familieleden manoeuvreren zich daarbij bereidwillig in de rol van groom (verzorger). Ook al mag de verzorging optimaal zijn, het valt telkens op dat er paarden bij zijn met verwaarloosde hoeven. Het is niet eerlijk tegenover je paard om zo’n grote prestatie van hem te verwachten als de hoeven niet regelmatig bekapt worden; een ‘gebroken voetas ‘ zorgt voor onnodige overbelasting en slijtage van pezen en gewrichten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De voorbereiding, het voor dag en dauw opstaan, de reis, de voortdurende concentratie op het functioneren van je paard, de spanning bij de veterinaire controles, het vraagt nogal wat van de deelnemers. Het is niet verwonderlijk dat sommigen na afloop van de tocht op hun tandvlees lopen. En toch is er altijd wel een enkeling die zo snel mogelijk zijn ervaring kwijt wil en nog voldoende puf over heeft om een wijdlopig gesprek af te steken. Een ander daarentegen geeft er de voorkeur aan zich terug te trekken om in alle stilte de wedstrijd te kunnen analyseren.


rammelaars volgen geurspoor moerhaas

POTENTE MANNETJES

Bij hazen spreekt men van de ‘rammeltijd’ alsof het, zoals bij de meeste diersoorten, om een bronstperiode van een maand gaat. De realiteit is dat rammelaars (mannetjes) het grootste deel van het jaar geïnteresseerd zijn in moerhazen. De moerhaas of voedster kan vier tot vijf worpen krijgen en vóór de geboorte van jongen , weer gedekt worden waarna ze twee worpen gelijktijdig draagt. De moerhaas is het gesnuffel aan haar lijf en andere opdringerigheid, die dagenlang kan duren, vaak zat en als het een niet te grote overmacht is, dwingt ze de rammelaars tot afstand. Ze richt zich op en legt de grote oren plat in de nek waardoor een niet mis te verstane mimiek ontstaat, doet regelmatig schijnaanvallen of mept er op los. Maar dan, als het tijdstip daar rijp voor is, kan een rammelaar zijn drift om de soort in stand te willen houden, de vrije loop geven. Zoals die zware rammelaar, met zijn onderkin, die tot vier keer toe een moerhaas wist te betreden. Na ieder dekking, heel kort na elkaar, even de achterbeentjes strekken vanwege de kramp; de drift van het bloed leek maar niet uitgeraasd te komen. Hoe de moerhaas zich ook afwendde, ze zag geen kans om aan zulk een potentie te kunnen ontkomen. Bij zijn poging om tot een vijfde dekking te geraken, volgde dan toch een korte sprint van de moerhaas, een sprong over een sloot en direct het maisveld in. De rammelaar volgde, hij verkeerde in topconditie. Wat er zich hierna afspeelde, onttrok zich aan mijn ogen.

Deze persoonlijke waarnemingen hebben mij aan het denken gezet over wat testosteron, dat hormoon (bij vrouwelijke dieren in een lagere concentratie), wel niet allemaal teweegbrengt en niet enkel in de dierenwereld.

Het herinnert mij aan menselijke – toch wel identieke – gedragingen tijdens mijn verblijf in Parijs een flink aantal jaren geleden, tezamen met een paar collega’s aldaar schilderkunst bestuderen. Intens genieten in het Musée du Louvre en in het Château de Versailles van schilderwerken van de Franse Impressionisten en de schildermeesters van de School van Barbizon. Het deed me wat om zo dicht bij de Mona Lisa van Leonardo da Vinci te mogen staan ( en ik ben geen snob ). Op Montmartre (Place du Tertre) schilderijen bekijken van kunstschilders die rechtstreeks aan het publiek verkopen. Parijs, ten voeten uit ervaren, dat wilden we; slenterend door de binnenstad ‘s avonds verlichte monumenten en gebouwen, kroegen en striptenten bekijken en theaters bezoeken.

Na drie avonden en nachten dolen, voelde ik (matineus ingesteld als ik ben) dat het nachtleven mij sloopte. Bovendien ging er iets aan mij knagen (ben opgevoed door drie vrouwen). Het mag dan onderling vermaak brengen, in de striptenten gingen sommige striptiseuses verder dan gracieus dansen in hun blootje; het werd al heel gauw bij je op schoot komen zitten en over je kruis raggen, je hoofd vastpakken en een tepel tegen je mond drukken en meer van zulke vrijpostigheid. Met de intentie het te zien als een spel, de gedachte ‘het zal je dochter zijn die elke avond zo haar geld verdient’ gaat toch een keer zeuren.

Op de vierde dag, kort voor middernacht, liet ik mijn maten in de kroeg achter en begaf me richting hotel, maar ik verdwaalde. De vermoeidheid en de schamele verlichting in die smalle straatjes en stegen, maakten het mijn oriëntatievermogen lastig. Het voelde daar unheimlich aan, ik was op mijn hoede. Door mij te richten op het lawaai van straatverkeer kwam ik op kruispunten waar zich prostituees ophielden. Er waren kleine, tengere vrouwen bij, op afstand kinderen. Dichterbij gekomen, hun gegroefde gezichten en een lege blik in de ogen, hun uiterlijk niet passend bij de leeftijd. Hun jeugd overgeslagen, geen zelfrespect bijgebracht, niet de kans gekregen een gevoel van eigenwaarde te ontwikkelen, grote armoede of alcoholisme, wie zal het zeggen. Op een paar hoeken waren verlopen mannetjes in onderhandeling. Hun benadering, opdringerigheid en focus op maar één doel, alsof het voortkwam uit een dierlijk bewustzijn.

Hou me ten goede, al ben ik opgevoed door drie vrouwen, ik veroordeel geen hitsige rammelaars.


Overrompeling
OVERROMPELING

Het moet er maar van komen, de veehouder trekt de stoute schoenen aan. Twee 2-jarige trekpaardmerries worden vandaag beleerd. Voor de eerste keer zijn zij ingespannen voor de cultivator (werktuig om de akkergrond te breken); in het midden loopt de 4-jarige Vanessa in de rol van instructrice. Al lopen de jonge paarden nog met onvaste benen, het cultivateren gaat probleemloos. Deze mastodonten met hun onvoorstelbare lichaamskrachten, blijven rustig en doen geen enkele poging om los te breken. Zomaar willekeurig worden er haken geslagen waarbij de leidmerrie de twenters in de goede richting duwt en trekt. Overkruisen of overstappen, zo gracieus als alleen schaatsers dat kunnen. Na een halfuurtje worden de paarden losgekoppeld en komen voor de ploeg te staan, die dieper inwerkt en daardoor meer wrijvingsweerstand biedt. In het geaccidenteerde terrein verrassen de paarden en een haas elkaar. Bij deze overrompeling zet de haas het op een lopen, de jonge paarden houden even de pas in om vervolgens onverstoorbaar verder te gaan. Dergelijke taferelen nam ik ook waar bij andere aanspanningen met trekpaarden. Bij het veldwerk was er niets dat hen uit balans kon brengen; niet die haas in dekking die eensklaps vlak voor hun hoeven weg stoof en ook niet die fazantenhaan die vanuit de akkervegetatie met gekakel, klapwiekend en snorrend bijna loodrecht voor hun neuzen opsteeg. Een ander driespan dat sleepwerk verrichtte langs een boerensloot, negeerde volkomen de overdreven schrikreactie van een koppel wilde eenden dat vanachter het slootriet luid snaterend, met zwiepende vleugelslagen tegen het water, op de wieken ging.

Bij het Amerikaanse bedrijf ArtPal zijn reproducties van en mokken met deze afbeelding verkrijgbaar.


Afscheid

AFSCHEID

Voor de duur van twintig jaar bezocht ik ongeveer tweehonderd keer Nederlandse en Vlaamse boerenbedrijven waar nog met paarden (voornamelijk trekpaarden) werd gewerkt. Met weemoed terugkijkend, kan ik niet anders concluderen dan dat de tijd zijn verwoestend werk heeft gedaan.

Afscheid moest ik nemen van:

Mensen

Dierbare mensen met waarden en normen zijn mij ontvallen. Onder hen degenen die eenzaamheid verkozen boven gezelschap, die misschien wel daarom dicht bij de natuur stonden. Ieder jaar telden ze de zwaluwnesten in hun stallen, tijdens veldwerkzaamheden lieten ze de paarden stilstaan om elkaar opjagende, rammelende hazen gade te slaan. Zij die zich niet bekommerden om de plooien in hun gezicht, te nuchter waren om zich bezig te houden met saunabaden en knoflookkuren. En dan waren er de mensen bij wie de gast zich heel snel op zijn of haar gemak voelde, waar het altijd de zoete inval was, met genegenheid, warmte en echte belangstelling voor de medemens. Op z’n tijd een bakje koffie voor de bakker, een reep chocolade voor het ‘zaterdagknechtje’ van de melkboer, een wijntje voor de pater. Geen hoogdravende gesprekken, maar praten over ogenschijnlijk alledaagse zaken; boerenvrouwen die zich bezorgd maakten over mij “ Bent u helemaal hiernaartoe gekomen met de bromfiets (was een lichte motorfiets) ? ” en “ Kunt u er wel van leven? ” en dan ‘s avonds nog even bellen om te horen of ik goed was thuisgekomen.
Ik mis het, het gebruikelijk gastvrije onthaal, het doorbladeren van familie-albums met paardenfoto’s, het samen bestuderen van stamboekbewijzen, de rondleidingen op de boerderijen, het aan tafel schuiven, het honoreren van mijn verzoeken om iets extra’s met de paarden te laten zien, het gemopper tijdens het inspannen of bij het veldwerk als de paarden een keertje dwars tegen de draad waren, het schoonspoelen van de paardenbenen na het ploegwerk, voor mijn vertrek samen met de boer nog even de stal van de drachtige merrie binnenlopen.
Zoals dat gebeurt, ook deze eerlijke, lieve zuiverheid van het leven, ging voorbij.

Paarden

De dood is niet selectief, daarom hebben lievelingspaarden ook geen recht op eeuwig leven. Na jaren van gezapige arbeid heeft een hartstilstand een einde gemaakt aan haar lange leven. Daar ligt ze nu, aan de rand van het vertrouwde boerenerf, op de plek waar ze bij vertrek en terugkeer meer dan eens angstig snuivend met een grote boog omheen heeft gelopen als daar een gestorven koe of schaap lag. Zo dadelijk wordt de merrie op een vrachtauto van het destructiebedrijf getakeld, met gestrekte benen en hangend, zwiepend hoofd. De penetrante kadaverlucht rondom de vrachtauto zal weer te snijden zijn. Beendermeel en beenderlijm zullen nog overblijven.

Boerderijen

De paardenstal, naar welke de paarden in het ploegseizoen rond het middaguur en ‘s avonds terugkeerden, waarin zich een deken van mist vormde door condensatie van adem en zweetdampen. De unieke geluiden van het vermalen van voedsel en van het briesen; de expressie van de paarden bedoeld voor stalgenoten, getoond door orenspel en blikken, hun lichaamstaal met uitingen van ergernis die altijd komisch overkwamen.
Daar sta je dan in een lege stal nadat afstand is gedaan van de paarden; in het vak van het trekpaard Martinette, met wie ik een keer een aanvaring had. Tijdens een rustpauze op de kopakker (keerpunt) greep ik de kans om nader kennis te maken met de paarden. Door zachtjes in haar neusgaten te blazen, zoals Indianen dat deden bij het temmen van mustangs , lokte ik bij Martinette een furieuze reactie uit; ze legde haar oren glad in de nek, trok de mondhoeken op, gaf een pril gilletje en stampte gelijktijdig met een van haar achterbenen. Later was een stukje appel al voldoende om haar stemming te doen veranderen.

Het deelgenoot worden van veranderingen die ingrijpen in het leven van mensen, hen confronteert met de sluimerende eindigheid, het laat jezelf niet onberoerd. In gedachten verzonken, voel ik pas na een tijdje dat er een koude wind tegen mijn nek blaast; in de stal is een ruit uit de sponning gesprongen. Voorheen werd op dit adres een herstelwerkzaamheid niet uitgesteld. Het onvermijdelijke, het overlijden van de bewoners, het betekent min of meer afscheid nemen van een boerderij waar het graan voor de paarden en de koeien zelf werd gemalen en waar de karnmolen heel lang na de agrarische industrialisatie nog in gebruik was. Paardenverhalen die bij deze boerderij horen, worden niet meer aangevuld. Als herinnering blijft de paardengeur in de stallen die voor eeuwig in hout en stenen is getrokken. Uit de schuren en loodsen zijn intussen werktuigen voor paardentractie en handgereedschappen verdwenen, wat is achtergebleven hoeft daar nog enkel te roesten.

Mijn allerlaatste bezoek aan de boerderij, zoals er meer laatste keren waren en zouden volgen, het stemde me somber. Vergankelijkheid, het valt ieder mens ten deel. Deze boerderij vormde geen uitzondering, zij kreeg een andere bestemming met een nieuwe toekomst.


HengstengedragOvergang van veulen- naar paardentanden

HENGSTENGEDRAG

Er zijn hengsten die als strijdlustige carrièremakers alles en iedereen proberen te overheersen; maar wat wil je als zoveel testosteron je lijf tart en prikkelt. De redelijkheid kan wel eens ver te zoeken zijn en draven ze door. Wat te denken van die dominante hengst, zo gehecht aan zijn mannelijke kwaliteiten dat hij witheet geraakt bij het zien van de verzorger als deze bij het ingaan van de wintertijd ‘s morgens een uurtje later arriveert. Een heftig geschraap met de hoeven over de grond, gevolgd door geklauw en met de voorbenen opspringen op de manier van een ijsbeer die bij de robbenjacht zijn gewicht inzet om door het ijs te breken. In een dreighouding kijkt hij woest naar soortgenoten op stal en gaat nog even door met rauzen in de krib waardoor voer verloren gaat.

Hengstveulens in het bijzonder zijn in staat hun eigen paradijsje te creëren. Zonder noemenswaardige investering, hooguit een begroetingshinnik of een moment van vertederend oogcontact, bespeelt zo’n hengstje met flair een zachtaardig meisje of palmt een echtpaar in dat hem als hun kind beschouwt. Zij halen in korte tijd het maximale uit het leven en sublimeren tegelijk hun onhebbelijkheden. Ook onderling is hun gedrag niet altijd leuk; naar hun moeder toe kunnen ze balorig zijn en leeftijdsgenoten maken elkaar het leven zuur met imponeer-spellen waarbij met hagelwitte melktandjes de huidspanning van de ander wordt getest. Er wordt met gelijke munt terugbetaald, een natuurwet in de paardenweide. De allerjongsten blijven niet voor niets dicht bij hun moeder. En wee je gebeente als zo’n kleintje terug dreigt of een impulsieve schijnbeweging naar een ouder hengstje durft te maken.

Bij de voortdurende competitie tussen jonge hengsten kan men waarnemen dat het onderlinge bijtgedrag minder wordt bij het wisselen van tanden, voor de eerste keer op tweejarige leeftijd wanneer vier veulentanden plaats maken voor paardentanden. Er is altijd wel imitatie-bijtgedrag en het is zeker geen uitzondering als er toch nog eentje met een sliert bloederig speeksel op zijn lijf rondloopt omdat de ander het niet kon laten. Met de doorgroei van de grotere paardentanden wordt namelijk het tandvlies iets opengelegd en dat gaat gepaard met een beetje bloeding. Een randje tandvlees achter de bovenzijde van de veulentanden houdt de tanden nog enige tijd vast. Onder de omgeslagen, tegen het gehemelte gedrukte melktanden hopen zich voedselresten op die een slechte adem veroorzaken. In deze periode knabbelen de paarden wat intensiever en voorzichtiger aan twijgen en takken. Op enig moment is te zien dat de twenter(tweejarige) een loszittende melktand is kwijtgeraakt. De paardentand met een scherp en onregelmatig snijvlak is meteen goed zichtbaar.

Weten sommige vrouwen een stoethaspelig manspersoon nog enigszins te accepteren (binnen zekere grenzen), een merrie is meer gebaat bij een hengst die blaakt van zelfvertrouwen, dominant en moedig is; een leider die haar en haar jong weet te beschermen. Dit verklaart het gedrag van de hengst; hij moet voortdurend autocraat (heerser) spelen.

Generaliseren moet men maar niet te veel doen, ook niet ten aanzien van hengsten. Geen hengst is volledig vergelijkbaar met een andere; er zijn immers verschillen in ras en temperament. Ieder ervaren paardenmens kent wel een hengst waarvan hij/zij aanvankelijk dacht met een ruin van doen te hebben. Vlak de opvoeding van hengsten ook niet uit. Hoeveel tijd is hierin gestoken en met hoeveel geduld en liefde. Als je met hengsten kunt omgaan, hun psyche weet te doorgronden en daar naar handelt, hen respecteert zoals ze zijn, dan zijn het paarden in optima forma.


Boer met stallamp

GELUK BIJ PECH

Je zult meer langs de weg komen te staan, want de contactpunten en zo te zien de ketting moeten vervangen worden. In het land worden tal van cursussen Motoronderhoud gegeven, misschien wel een goed idee’. Dat idee van de wegenwachter vond ik niet zo denderend, wel zijn verwijzing naar een boerderij in Brabant waar broers van hoge leeftijd alle werk met trekpaarden deden. Ongeveer tweehonderd keer bezocht ik adressen in Nederland en Vlaanderen waar men met paarden werkte; het adres van de wegenwachter was wel heel bijzonder. De vier broers waren noeste werkers met uitgebouwde ruggen, veroorzaakt door de roofbouw die ze op hun lichaam pleegden. In het ene seizoen werkten ze zich in het zweet bij de hooibouw, in het andere brachten ze met hun paarden in een nevelig ochtendgloren een weiland aan snee (omploegen) en stopten daar pas mee in de schemer wanneer fazanten vanuit de dekking van het gewas op afstand achter hen aan kuierden op zoek naar wormen.

De broers waren professionele doe-het-zelvers; paardenwagens maken, hamen (juk om de paardenhals) repareren, bekappen en beslaan van de paarden, het rieten dak bij stormschade dekken, je kunt het niet bedenken of ze deden het, vrijwel honderd procent zelfvoorzienend. Het alles zelf willen doen, brengt op hoge leeftijd ook wel risico met zich mee. De afgebeelde Rien heeft het bijna zijn leven gekost toen hij – half in de tachtig – op de ladder bezig was een half omgewaaide boom in gedeeltes te zagen en hierbij geen rekening had gehouden met de spanning en veerkracht van het grove takkenhout. Hij was de meest spraakzame van het viertal, de enige die echt behoefte had aan sociaal contact, iedere maandag in het café biljarten. Hij ging er prat op gedurende zijn leven bijna zeventig trekpaarden te hebben beleerd . In zijn eentje voerde hij onderhandelingen met Rijkswaterstaat en een oliemaatschappij over de verkoop van landerijen (aanleg weg/benzinestation ). Zonder een beroep te doen op de deskundigheid van een taxatiebureau, berekende hij de toekomstige derving van inkomsten bij verkoop en sprak met trots over het behaalde resultaat.

Voor elk afscheid liep ik met hem het weiland op of de stal in om de paarden te begroeten. Met de stallamp kijken of de hoogdrachtige merrie net heeft gekegeld, dan kan ik besluiten langer te blijven. Aan de spenen verschijnen harsachtige druppels, de aankondiging van een naderende geboorte.

De wegenwachter heeft wel gelijk gehad . Meerdere keren heb ik op een rotonde, voor stoplichten en precies voor een vol bezet caféterras in Het Gooi voor schut gestaan doordat mijn oude, warmgedraaide motorfiets afsloeg en met de kickstarter niet meer aan de praat te krijgen was. Op een paar adressen hebben boeren en ook nog een loonwerker meegeholpen bij het aanduwen. Toen ik er genoeg van kreeg, kwam hij de schuur niet meer uit. Na een tijdje een advertentie in de krant gezet. De persoon die telefonisch reageerde, heb ik gewaarschuwd dat de motor niet vertroeteld is geweest.; machines onderhouden zit niet in mijn aard. Voor een habbekrats nam hij hem mee, vertelde net zoveel sleutelaar als rijder te zijn. De motorfiets kreeg een beter tehuis.


Shetlandermerrie met veulen

VEULENS

“Komde-ge zo stillekes an hier op an, ik denk dè ‘t perd gi vulle (veulenen)”.

Een spannende traditie. Na het telefoontje ( meestal s’ nachts ) op de motorfiets over dijken en polderwegen naar de boerderij waar ik vele geboorten van trekpaarden en Haflingers heb meebeleefd. Ook op andere adressen mocht ik aanwezig zijn bij de geboorten van pony’s en Gelderse paarden. Hoe zwaar het veulen ook kon zijn, ik stelde er eer in om de natte boreling vanuit de kraamstal of het weiland naar de paardenstal te dragen. De ontwikkeling van een paar van deze veulens heb ik kunnen volgen. Zoals die van een warmbloedhengst die al als veulen geen makkelijke broeder was. Wanneer hij in de hakkepezen van zijn moeder beet of haar uier als boksbal gebruikte door er vele harde stoten met de snuit tegen te geven , deinsde hij er niet voor terug naar haar uit te halen als ze hem tot de orde riep ( ze beet hem in zijn kont ). Of van het trekpaardveulen dat bij helder maanlicht in het veld werd geboren en dat ik in mijn armen naar stal bracht. In de eerste fase van haar leven wist het merrieveulen amper raad met de overvloed aan melk. De gehele dag liep ze rond met een naar zure melk ruikende natte snuit. Uit elk uitsteeksel verwachtte ze melk te kunnen lurken; rook eerst aan mijn gezicht, klemde vervolgens haar tandeloze mondje om mijn neus en begon te zuigen.

Echter, de eerste kennismakingen met veulens waren in mijn jeugd. Ik deed vrijwilligerswerk bij een ponyclub en leerde daar Bella kennen; een bonte Shetlandermerrie die door een ponyhandelaar aan de vereniging werd verhuurd. Heel wat kinderen van minder draagkrachtige ouders hebben op haar leren paardrijden. Ik had een voorliefde voor haar vanwege haar zachte karakter en het weten dat bij een jaar gust blijven er voor haar geen plek meer zou zijn op deze wereld. Het was juist deze merrie die mij enige tijd met gevoelens van teleurstelling en afwijzing heeft laten lopen. Toen ik bezig was met me op te dringen aan haar veulen, draaide ze zich naar me om en sloeg tussen mijn benen ( bij paarden spreekt men niet van schoppen ) . Al waren haar beentjes te kort om schade te kunnen aanrichten, toch was ik geraakt. Door mijn gebrek aan kennis van de paardennatuur kon ik destijds niet begrijpen dat een merrie te allen tijde eerstens voor haar veulen kiest en het in bescherming neemt.

Het afgebeelde Shetlanderhengstje kreeg dorst op het moment dat zijn moeder net was gaan liggen. Klieren, zich tegen haar aandrukken en in haar manenkam bijten. Daarna worstelde hij zich onder het hoofd van de merrie; toen hiermee niet het beoogde doel werd bereikt, begon hij naar zijn moeder te slaan. De merrie komt overeind en laat hem drinken, waarna hij vlak voor haar voorbenen gaat liggen om te slapen.

Dan was er nog een bijzondere trekpaardmerrie ; zij was minnemoeder en zoogde ook het veulen van een overleden merrie. Zij had helemaal geen leven. Als ze al een keertje de tijd nam om languit te rusten, was er minstens een die haar uit de slaap haalde en waarbij een poging om op haar uier te gaan staan niet werd geschuwd.


Staby/WetterhounBloedhond/Foxhound

 

HONDEN

In mijn platenboeken nam ik altijd verhalen over honden op. Vanaf 2011 (het jaar waarin mijn laatste boek verscheen) heb ik geen honden meer geschilderd. Twee ontmoetingen zijn voor aanleiding geweest om nog eens honden in beeld te brengen.
Zodra ik het autoportier open dringt hij zich telkens aan mij op, deze overvriendelijke gekruiste Staby-/Wetterhoun. Meerdere keren bracht ik een bezoek aan zijn baas, een Friese veehouder met een warm hart voor de natuur. Samen, vanuit kijkhutten, weide- en waadvogels observeren aan de rand van plasdrassen (onder water staande landerijen). Op een van deze dagen zag ik de houn naast de regenput zitten. Lange tijd luisterde hij, af en toe met een schuin koppie, aandachtig naar het geluid dat de miezelregen in de put veroorzaakte.
De gekruiste Bloedhond/Foxhound was helemaal vanuit Zuid-Holland naar Groningen gekomen om vakantie te vieren. Bij het warme weer deed hij niets liever dan vanaf een bruggetje een duik nemen in een brede sloot.


Jonge zwaluwen op wilanddraad

BOERENZWALUWEN

Boerenzwaluwen zijn onmiskenbaar de vertegenwoordigers van het boerenland. Koeien zijn niet weg te denken uit de weilanden en boerenzwaluwen zijn dat niet uit het luchtruim boven de weilanden. Scherend over koeien, paarden en schapen, jagend op muggen, vliegen , libellen en dazen, met kwetterende en kwelende tonen laten ze vanaf eind maart hun gastadressen weten dat ze zijn teruggekeerd en er de komende zes maanden weer helemaal voor gaan. Vanuit Afrika keren zwaluwen meestal naar hun geboorteplek terug. Oude bedrijfsboerderijen met houten balken en gebinten zijn geliefd bij de zwaluwen. Met hun snavels vermengen ze klei en leem, afkomstig van slootkanten en modderpoelen, met hooisprieten, strootjes en kippenveren. De paartjes plakken de gevormde propjes tegen een balk of op een stallamp tegen de muur. En wel net zolang tot er een komvormig nest is ontstaan. Voor de binnenvoering kiezen ze hooisprieten, veren en paardenhaar.

Meer dan eens informeerde ik bij mijn bezoeken aan boerderijen naar het aantal nesten van boeren- en huiszwaluwen en beklom vervolgens samen met de boer een houten ladder om op de hooizolder te gaan tellen. Tot mijn verbazing kwam ik eens bij het tellen een Jack Russel terriër tegen. Hij had de ladder op dezelfde manier beklommen zoals wij dat hadden gedaan.

Ik beschouw het als een groot genot en zie het als een voorrecht om nestelruimte te kunnen bieden aan zwaluwen. Al drieëntwintig jaar achten ze mijn woning geschikt voor nestbouw en stellen ze vertrouwen in mij door zomaar hun jong grut onder mijn dak tot wasdom te brengen. Vanaf het voorjaar, wanneer een aantal zwaluwen weer domicilie bij mij kiest, zorg ik er voor dat op een tijdstip waarop driekwart van Nederland nog slaapt, de deur van de inpandige paardenstal open gaat zodat ze zelf kunnen bepalen hoe laat aan de slag te gaan met nestbouw of voeren. Het opstaan is een bioritme geworden, heb daar geen wekker voor nodig. Ging ik voorheen nog wel terug naar bed, het wilde niet meer lukken om in diepe slaap te geraken; vandaar dat ik dan maar een aanvang maak met de dag . Doordat ik ‘s avonds nog een aantal uren doorwerk lijd ik de helft van het jaar aan een chronisch slaapgebrek. Bij het schilderen heb ik momenten, of beter gezegd, het is bij mij schering en inslag, dat ik met een penseel in mijn hand in slaap val. Ik werkte aan een aquarellenserie voor een fabriek ; na het ontwaken ontdekte ik een verftoets in de luchtpartij van een aquarel waar ik twee weken aan had gewerkt. De streep was niet meer volledig onzichtbaar te maken. Een soortgelijke ervaring was er met een ander schilderwerk op papier, gemaakt voor de omslag van een van mijn boeken. De streep op een onbeschilderd gedeelte kon echter met behulp van de computer door een lithograaf grafisch worden weggepoetst. De hoofdredacteur van een paardentijdschrift kocht het werkstuk later; mijn verklaring over de streep gaf volgens haar ‘meerwaarde ‘ aan het schilderwerk.

Zonder overdrijving, meerdere keren ben ik wakker geschrokken nadat ik met mijn voorhoofd tegen de tafelezel bonkte.

Deadlines maken deel uit van mijn contractuele verplichtingen. Aangezien uitgeverijen geen rekening houden met mijn privé-situatie is mijn worsteling met de slaap deel gaan uitmaken van mijn leven.

Na het uitvliegen van het eerste nest jongen doet het zwaluwouderpaar het even rustiger aan. Enkele stellen beginnen echter aan de bouw van een nieuw nest. Het zal zo zijn dat de plaats van het eerste bouwsel niet voldeed. Als de verkenningstochten achter de rug zijn, laten de jongen zich na een paar dagen maar heel af en toe overdag zien. Wel keren ze de eerste tijd ‘ s avonds terug om de nacht in de stal door te brengen. Maar bij een zware onweersbui overdag is het een drukte van je welste ; met een ongeremde snelheid vliegen ze, herkenbaar aan hun gele bekjes en korte staarten, de stal binnen om te schuilen.

Waar zwaluwen nestelen, hebben heel wat zangvogels hun leven aan hen te danken. Het is een doeltreffende tactiek van de sperwer om vanuit de lucht met grote vaart, of vanuit een hinderlaag in de bosjes, vogels te verrassen. Zwaluwen zijn altijd in de lucht en bespeuren heel gauw onheil. Je staat er van versteld hoeveel zwaluwen in geen tijd zich in de lucht verzamelen en met alarmkreetjes op de sperwer duiken en hem verjagen. Boerenzwaluwen voeren ook groepsgewijze duikvluchten uit op een stropende kat die zich op een schuurdak bevindt of op eksters die de struiken afstruinen op zoek naar nesten.

Daarom ben ik zo trots op mijn boerenzwaluwen. De functieloze elektriciteitsbuis die op een hoogte van drie meter vanaf mijn woning naar een oude koestal loopt, laat ik gewoon zitten. Het verwijderen zou goed zijn om ergernis weg te nemen; bij het snoei – en schilderwerk zit ik er met de ladder regelmatig tegenaan. Maar ik laat hem hangen; de buis is in gebruik om te kunnen zingen, poetsen, paren, voeren en rusten.

Het onderdak verschaffen draagt verantwoordelijkheid met zich mee. Toen een heel jonge zwaluw, die nog maar net het nest had verlaten, een kleine ruimte tussen de nok van het dak en het plafond van een zolderkamer invloog en niet terugkeerde, ben ik – met planken voor me uit schuivend – die ruimte ingegaan. Languit liggend trok ik me met mijn armen vooruit. De zwaluw kreeg ik niet te zien. Bijna op het einde van die zeer nauwe en warme ruimte kreeg ik een claustrofobische aanval; het zweet brak me alle kanten uit, mijn hart ging tekeer. Ik had tijd nodig om me te vermannen. Hoestend en proestend, onder de stofwebben , me naar achteren duwend, lukte het me de ladder te bereiken. Na dit voorval mijd ik kleine ruimten. Voor mij geen grottenexcursie of Egyptische piramiden van binnen bekijken (bovendien heb ik vliegangst).

En dan is het september geworden; de zwaluwen maken zich op voor de terugreis naar Afrika. De jonge vogels maken veel vlieguren om zich sterk te maken en om de omgeving in te prenten. In groten getale brengen de boeren- en huiszwaluwen nu de nachten door in beschutting biedende maisvelden. Een klein aantal boerenzwaluwen blijft de stallen nog even trouw. Een enkele keer vliegen ze overdag even in en uit.

Na hun vertrek gaan veel mensen- vooral zij die op het platteland wonen – de zwaluwen missen; ruim een half jaar niet meer hun stemmetjes in de lucht. Er zit niets anders op dan uitzien naar hun terugkeer in april, zoveel mogelijk de lucht afturen waarna andere vogelvrienden afgetroefd kunnen worden “ik heb vanmorgen de eerste gezien” ; een kinderachtig spelletje, ik weet het. En als de eerste mijn inpandige stal binnenvliegen, praat ik tegen ze, heet ze welkom.

Het is niet erg om als een zonderling gezien te worden; bovendien, het went snel.